|
Eibergen,april 2009,
Beste lezer of lezeres!
Ik heb steeds het gevoel in me, iets op papier te moeten zetten over mijzelf,
mijn familie en de
omgeving waarin ik opgroeide. Ik zal proberen dit zo nauwgezet mogelijk te doen,
zodat later nog eens kan worden teruggekeken op een aantal, in mijn ogen toch
wel roerige gebeurtenissen die niet in het vergeetboek mogen geraken.
Het ligt niet in mijn bedoeling een genealogische verhandeling te publiceren,
echter toch moet de lezer goed weten dat onze naam Assink al in het jaar 1300
genoemd werd in de betalingsregisters van het bisdom Utrecht als het
toenmalige erve Assing dat gelegen was in de marke Driene in de buurt van
Hengelo. Ons geslacht behoort dan ook tot de oude Twentse geslachten, waarbij
voor wie daar zin in heeft, een mooie taak is weggelegd dit genealogisch eens
te onderzoeken. Zelf heb ik een kleine zoektocht naar mijn voorgeslacht
ondernomen, daarbij prima geholpen door Jan Sprokkereef uit Markelo die mij
van veel informatie voorzag over mijn overgrootvader en diens voorgeslacht.
BET-BET-BETOVERGROOTVADER Jan Assink.
Jan trouwde drie maal en kreeg totaal dertien kinderen.
Hij werd geboren op 16-03-1684 te Elsen en was een zoon van
Willem Assink uit Elsen.
Gehuwd voor de kerk (1) ca.1700 met Jenneken Catteler, geboren ca.1680.
Gehuwd voor de kerk (2) ca.1710 te Rijssen met Hendrikjen Reefhuis, geboren
ca.1690.
Gehuwd voor de kerk (3) op 36-jarige leeftijd op 19-01-1721 te Rijssen met Garritjen
Roelevink, geboren te Stokkum. Zij was dochter van Jan Roelevink.
Uit het eerste huwelijk werd geboren:
|
1.
|
Hermken, geboren te Elsen, gedoopt op
20-12-1705 te Rijssen
|
Uit het tweede huwelijk werden geboren:
|
2.
|
Berend, geboren op 13-11-1712 te Elsen
|
|
3.
|
Hermen, geboren op 09-12-1714 te Elsen
|
Uit het derde huwelijk werden geboren:
|
4.
|
Hendrik, geboren te Elsen
|
|
5.
|
Jan, geboren te Elsen
|
|
6.
|
Garrit, geboren op 09-05-1727 te Elsen
|
|
7.
|
Hendrik, geboren op 31-07-1729 te
Elsen
|
|
8.
|
Maria, geboren ca.1730 te Elsen
|
|
9.
|
Jan Hendrik, geboren ca.1732 te Elsen
|
|
10.
|
Harmen, geboren op 03-10-1734 te Elsen
|
|
11.
|
Jenneken, geboren op 26-02-1736 te
Elsen
|
|
12.
|
Aeltjen, geboren op 17-11-1737 te
Elsen
|
|
13.
|
Harmen, geboren op 19-03-1741 te
Elsen.
|
BET-BETOVERGROOTVADER Harmen Assink.
Mijn bet-bet overgrootvader Harmen
Assink werd op 19 maart 1741 als laatste in de rij in Elsen geboren en in
Rijssen gedoopt. Harmen trouwde op 46 jarige leeftijd in Rijssen met de 28
jaar jongere (!) Jenneken Scholman (ook genoemd Scholen). Dit kerkelijk huwelijk
vond plaats op 8 juli 1787.
Jenneke werd geboren in Herike op 30 juli 1768 en overleed op 22 juni 1831 in
Elsenerbroek.
Harmen overleed ca 1800 in Elsenerbroek.
BETOVERGROOTVADER Gerrit Jan
Assink.
Gerrit Jan Assink, van beroep
boerwerker, woonde te Elsen (Gem. Markelo). Hij werd geboren op 28 november
1791 en overleed op 17 augustus 1870. Hij trouwde met Willemina Nijland op 25
juli 1815 in Rijssen.
Willemina, van beroep boerwerkster, werd
geboren op 18 december 1793 in Goor.
Ze overleed op 6 februari 1865 in
Elsenerbroek.
BETOVERGROOTVADER Gerrit de Groot.
Gerrit de Groot was zoon van Harmanus de
Groot en Fenneken (of Femmetje?) Boswinkel. Hij werd geboren in 1804 te
Amsterdam en overleed in 1883 te Goor. Gerrit was getrouwd met Aaltje
Hartgers, geboren in 1803 te Hellendoorn. Zij overleed op 9 februari 1853 te
Zwolle (in het Ziekenhuis?).
OVERGROOTVADER Jan Assink.
Jan werd in 1831 in Markelo geboren. Hij
overleed op 40 jarige leeftijd (1871) te Ambt Delden. Jan trouwde met Harmina
de Groot op 1 maart 1867. Harmina werd geboren in 1844 in Goor en overleed op
30 jarige leeftijd (1874) te Ambt Delden. Jan oefende eerst het beroep van
klompenmaker uit. Later bekleedde in het dagelijks leven het ambt van
tolbeambte.
GROOTVADER Gerrit Jan Assink.
Ik zal maar beginnen iets te vertellen
over mijn grootvader Gerrit Jan Assink.
Gerrit Jan werd op 16 augustus 1871 geboren in het Tolhuis van de gemeente
Ambt Delden. Dit in de loop der jaren verbouwde tolhuis vindt u aan de Entersestraat
in Goor. Dit is net voor de brug over het riviertje de Regge, van Goor komend
aan de rechterkant van de weg.
U ziet hier een afbeelding van dit Tolhuis zoals het er ooit
in originele staat uitzag.
Zoals u hiervoor al las zijn beide
ouders van Gerrit Jan begin jaren zeventig van de negentiende eeuw op nog
jonge leeftijd overleden. Gerrit Jan en zijn twee jaar oudere zusje Harmina
(Mientje) waren weeskinderen.
Ze werden opgenomen bij hun opa Gerrit
de Groot in Elsenerbroek.
Opa de Groot was van beroep wever en was
afkomstig uit het verre Amsterdam.
Hij verhuisde jaren daarvoor met de trekschuit van Amsterdam naar
Enter/Elsenerbroek. Kennelijk kon opa de Groot de zware taak van opvoeder wel
aan.
Men beweert dat de eerste jaren van de
opvoeding grote invloed hebben op het verdere leven van een kind. Deze eerste
jaren waren kennelijk goede jaren want Gerrit Jan groeide in zijn verdere leven
op als een beminnelijk mens.
Toch kreeg Gerrit Jan op twaalf jarige
leeftijd een geweldige klap te verwerken: opa de Groot overleed op 79 jarige
leeftijd.
Gerrit Jan werd door de voogdijraad
ondergebracht bij een boer in de omgeving van Elsenerbroek.
Zijn zusje Mientje was veertien jaar en
oud genoeg bevonden om voor zichzelf te gaan zorgen.
Zij vond in Arnhem een betrekking als dienstmeisje bij een welgestelde
familie.
Gerrit Jan moest een vak leren. Hij moest maar timmerman worden, een vak waar
je altijd de kost mee kon verdienen.
En zo ging Gerrit Jan in de leer bij de
plaatselijke timmerman.
Zes maal in de week vroeg op pad met z'n broodtrommeltje onder de arm.
's Avonds laat kwam hij dan weer thuis, doodmoe en een honger als een paard.
Er was echter een gerecht waar hij nooit
naar verlangde...
Gerrit Jan verafschuwde erwtensoep, en vertelde later eens dat hij nog liever
bij de varkens uit de trog at, dan een bord erwtensoep te moeten eten….
Men kende hem in de buurtschap Elsenerbroek onder de naam Gerrit Jan de
Groot. Een mooi aandenken voor de familie is nog steeds een geelkoperen tabaksdoos van Gerrit Jan's
vader Jan Assink, waarin met een spijker gegraveerd werd "J.Assink
Elsenerbroek."
Verkering
Gerrit Jan geraakte op vrijersvoeten en leerde Johanna Willemina Endeman
kennen. Haar roepnaam was Anne. Anne werd geboren op 10 februari 1879 en
groeide op in een gezin van acht kinderen. Haar vader Hendrik Jan Endeman was
van beroep fabrieksarbeider en haar moeder Willemina Endeman-Stoevenbeld
noemde zich koopvrouw. Anne was zeven jaar jonger dan Gerrit Jan, die later
wel eens de opmerking maakte dat zo'n jonge meid nog wel eens van pas zou
komen als hijzelf zijn schoenveters niet meer kon strikken...
Gerrit Jan vond bij een der Goorse textielfabrieken werk als timmerman. Dit
is waarschijnlijk de weverij van Jannink geweest. Ook deed hij aan sport want
op deze afbeelding uit 1895
zien we Gerrit Jan als lid van de "Goorsche Wieler Club" staande in
de achterste rij, vierde van links.
Getrouwd!
Op 13 maart 1897
traden Anne en Gerrit Jan in het huwelijk. Ze huurden een
eenvoudig huisje aan de Possestraat in Goor. Er werden totaal zeven kinderen
geboren, waarvan een tweeling direct na de geboorte zou komen te
overlijden.
Mijn ooms en tantes
Na 7 maanden werd mijn tante Mien (Harmina) geboren op 12 augustus 1897. Het
blijkt dat ook in deze tijd de eerste zwangerschapsduur vaak heel wat korter
uitviel dan de daarop volgende. Foei,foei,foei!
Na tante Mien kwam de doodgeboren tweeling (1898), vervolgens oom Jan
(Hendrik Jan) op 13 maart 1900, tante Jo (Johanna Wilhelmina) op 6 oktober
1902, en mijn vader Willem (Gerrit Willem) op 26 februari 1905. Alle
deze kinderen werden in Goor geboren, terwijl tante Gerrie (Harmina Gerdina)
als nakomertje werd geboren in de nieuwe woonplaats Hengelo op 21 februari
1915.
Tante Mien Assink
Tante Mien trouwde met Jan de Roo. Ze dreven in Hengelo een goed lopende
slagerij aan de Nieuwstraat in Hengelo. Wat me als kind altijd heeft verbaasd
is het verhaal dat tante Mien als meisje hardloopkampioene van Twente was, en
dat ze nu zo dik geworden was. Ze woog volgens mij meer dan 120 kilo. Ik ging
er toen van uit dat sportmensen hun leven lang een slank figuur bleven
behouden. Oom Jan en tante Mien kregen drie kinderen, Gerrit, Annie, en
Grietje.
Oom Jan Assink
Oom Jan Assink heb ik nauwelijks gekend. Hij trouwde op latere leeftijd met
een Groningse weduwe die bij hotel Eulderink in Hengelo werkzaam was in de
linnenkamer. Deze Tante Meta heeft, gelet op haar accent, haar geboortestreek
nooit verloochend. Dit huwelijk bleef kinderloos en beiden zijn inmiddels
overleden.
Willem had nauwelijks contact met z'n broer Jan.
Mijn grootvader schonk zijn beide zoons
als huwelijkscadeau een grossierderij in aardappelen, groente en fruit.
Mijn vader startte hiermee in 1932 in
Enschede, en oom Jan in 1940 in Hengelo.
Tante Jo.
Een ieder die mijn tante Jo heeft gekend vond haar een schat van een vrouw.
Uit haar huwelijk met Jan Vos werd een meisje geboren: mijn nicht Nannie, die
nu in Koudum (Fr.) woont. Tante Jo en haar echtgenoot vonden op een
afschuwelijke wijze de dood op vrijdag, 6 oktober 1944, evenals mijn opa die
op de dag erna bij hevige bombardementen op het centrum en het station van
Hengelo de dood vond. Nannie bleef wonderwel gespaard omdat ze koekjes was
gaan bakken bij een tante in Tuindorp 't Lansink. Ik kom hier later nog op
terug.
Tante Gerrie
Zij werd door haar grote broers en zuster "Zus" genoemd en zo
kennen we haar nog steeds.
Met haar heb ik nog steeds contact.
Tante Zus heeft als enige van de kinderen Assink een schoolopleiding genoten
aan de hogere handelsschool in Enschede. Deze school kan gezien worden als de
voorloper van de HBS. Zij trouwde in 1942 met Jan Schekman uit Holten. Jan en
tante Zus dreven na de tweede wereldoorlog in Deventer een garage. Uit hun
huwelijk werden twee kinderen geboren: neef Jan en nicht Anneke. Tante Zus is
nu nog (2009) de enige Assink die nog alles weet te vertellen over de
vroegere jaren in het gezin. Ik maak hier uiteraard dankbaar gebruik
van!
De eerste huwelijksjaren van Gerrit Jan
en Anne.
Zoals al verteld, was opa Gerrit Jan werkzaam als timmerman bij
textielfabriek Jannink in Goor. Dit hield in dat men werkweken had van
tenminste vijfenvijftig uur. Toch bleken de inkomsten hieruit niet voldoende,
want oma Anne besloot dat er wat bijverdiend moest worden. Er werd gekozen
voor het venten met bokking. Gerrit Jan ging met deze aan wilgentakjes
geregen gerookte haring de deuren langs. Dit was honderd jaar geleden een
aardige bijverdienste.
Oma Anne zat ook niet stil. Zij kocht 's
zomers bij een boerderij aan de rand van Goor pruimen, die ze dan huis aan
huis weer verkocht. Oma was een echte zakenvrouw. Ze vertelde tante Zus eens
dat ze niet als haar zusters in de fabriek wilde werken om aan de kost te
komen. Ze wilde de handel in.
Waarschijnlijk werd ze hierbij geïnspireerd
door haar moeder die zich zoals ik al eerder schreef, koopvrouw noemde.
Ze had bijvoorbeeld de gewoonte de wekelijkse boodschappen op donderdag in te
slaan, en niet op vrijdag zoals het "gewone" volk dit placht te
doen. Vrijdags ontvingen de fabrieksarbeiders hun "loontoetn" (het
loonzakje) en moesten dan bij de plaatselijke kruidenier om de wekelijkse
boodschappen in huis te krijgen, vaak erg lang op hun beurt wachten.
Anne had hier geen behoefte aan en vond dat ze haar tijd wel beter kon
besteden.
Zij kon zich dit permitteren omdat zij dankzij haar zuinigheid, aan het einde
van de week nooit krap bij kas zat. En als je dan dagelijks zo met je
handeltje van deur tot deur gaat, dan kom je er op den duur achter welke
dagelijkse behoeften de mensen hebben.
Zo ontdekte ze dat er in Goor behoefte bestond aan een groentewinkel. In die
jaren nam in Twente de industrialisatie een hoge vlucht. Dit hield in dat een
voornamelijk agrarische instelling van de bevolking (wie had er toen geen
eigen groente en moestuin?), veranderde in een industriële.
Men verdiende in 't Stoom (fabriek) immers veel meer dan met het paar bunder
grond en een paar koeien.
Echter, de zelfvoorziening van de gezinnen geraakte hiermede in het slop. Er
was eenvoudigweg geen tijd meer om het land te bewerken als je werkdagen had
van tien uur of meer. En dit was nou juist de reden dat er ook behoefte kwam
aan dit soort detailhandel in dorpsgemeenschappen zoals Goor.
Opa en oma hadden het dus bij het rechte eind. Zo rond de eeuwwisseling vertrokken
ze uit de Possestraat. In dit achterstraatje voelde oma zich toch al niet
thuis. Ze huurden een pand aan de Grotestraat in Goor, waar de voorkamer als
winkel werd ingericht. (Nu is dit Grotestraat 58, het middelste pand op deze foto en wordt thans bewoond door kapper
Bonthuis). De groentehandel kwam op gang. De groente en fruit werd op de boerenmarkt in Zutphen
ingekocht.
Anne ging hiervoor periodiek met de
trein op en neer. Ze had een treinabonnement. Hier verkochten de boeren uit
de Hollandse Hoven, dit is het gebied dat bij Zutphen aan de andere kant van
de IJssel ligt, hun waren.
Met paard en wagen werd de handel dan door Gerrit Jan opgehaald. Een hele
reis in die dagen. Opa bezocht met paard en wagen ook de industriestad
Hengelo om bij collega groentehandelaren de restanten groente en fruit uit te
ven ten die ze in Goor overhielden.
Zo ontstond de groothandel in groente en fruit. Afgebeeld ziet u een foto uit
het jaar 1910 met Gerrit Jan staande in het midden, Anne met haar moeder
Willemina Endeman-Stoevenbeld en mijn vader Willem als jochie van vijf jaar
met voor hem zijn grote broer Jan. De twee jongens op de paarden zijn mij
onbekend. Zij behoorden waarschijnlijk tot het toenmalige personeel.
De groentehandel floreerde!
Ze hadden al gauw door dat Hengelo een beter afzetgebied was dan het kleine
Goor. Er werd gedacht aan verhuizen. Ik schat dat het gezin Assink zo rond
1913 het nieuw gebouwde winkel/woonhuis aan de Molenstraat 64 in Hengelo
betrok. Als voorbeeld voor de aannemer diende hiervoor een winkel/woonhuis in
Zutphen. Hierin is nu een schoenenwinkel gevestigd op de markt aldaar. Wat
zullen ze trots zijn geweest onze Gerrit Jan en Anne toen ze dit nieuwe pand
betrokken! Nog steeds werd de Zutphense boerenmarkt bezocht waar nu ook de
zuidvruchten werden ingekocht bij de groothandel van Iliohan. Deze Iliohan bezocht
dan iedere zondag de familie Assink (waarschijnlijk om af te rekenen), en at
dan gelijk met de pot mee.
Tante Zus herinnert zich deze "oom" Iliohan als een aardige lange
magere man.
De zaken gingen goed. Het bleek dat ze in het centrum van Hengelo een pracht
van een locatie hadden uitgezocht. Hier kwamen de mensen naar toe die bereid
waren wat dieper in de geldbuidel te tasten. Opa liet de zaak in dit zelfde
jaar 1913 bij de Kamer van Koophandel inschrijven onder nummer 01340 als
Groothandel in Aardappelen. Overigens vermoed ik dat het in het
"groot" handel drijven ook wel wat te maken heeft gehad met de
wijze van inkopen die oma er op nahield.
Oma was nl. niet bang om teveel te kopen. Als je het in eigen winkel niet
kwijt kon, dan verkocht je het toch aan de collega groentehandelaren? En als
die het niet wilden afnemen, dan kon je het altijd nog op de markt
kwijt...
Zo rond het jaar 1920 bezocht mijn oma Anne Assink als eerste koopvrouw de veiling V.V.O.B. te Elst in de Betuwe.
V.V.O.B. stond voor "Veiling Vereniging Over-Betuwe" maar de
kooplieden maakten ervan: "Vink Verlangt Onze Beurs".
De heer Vink was een van de eerste directeuren van deze veiling.
Oma ging dus in haar eentje naar de veiling. Zonder dat mannen haar
ondersteunden. Nou, nou, dat was me wat. Een vrouw die mannenwerk wilde
verrichten. Wat zal ze de eerste tijd een commentaar over zich heen gekregen
hebben van de "heren" kooplieden, als ze een partij fruit naar hun
mening te duur inzette.
De naam waaronder gekocht werd was ANNA. Deze naam werd door de
veilingknechten met krijt op de door oma gekochte kavels fruit
geschreven.
Ik geloof echter dat die periode van commentaar krijgen niet erg lang heeft
geduurd, want oma had het zogezegd in de vingers.
Ze was, zoals al eerder opgemerkt, een echte koopvrouw.
Het reizen naar de veiling ging per trein. Hiervoor moest oma voor dag en
dauw opstaan om de eerste trein te halen. Soms, als ze zich wat verlaat had,
werd er keurig door de stationschef op haar gewacht voor hij de trein liet
vertrekken. Ze konden haar immers zien aankomen van de overkant van de
Stationsstraat.
In het hoogseizoen overnachtte ze in het
naast de veiling gelegen 'Hotel V.V.O.B'. Dit was noodzaak omdat
de eerste partijen fruit 's morgens om 07:00uur al geveild
werden.
De groente werd door een commissionair
op de veiling van Zwolle gekocht, terwijl de zuidvruchten in Rotterdam werden
gekocht zowel via commissionairs als door haar zelf. Op deze pagina vindt u
een kopie van haar toegangsbewijs voor de
citrusvruchten veiling in Rotterdam, waarbij zo te zien nooit rekening was
gehouden met vrouwelijk bezoek. Wat ik me nu afvraag is, hoe de groente en
fruit de lange hobbelige reis in de treinwagons overleefden. Ook het vervoer
over slechte wegen, gecombineerd met een gebrekkige manier van verpakken
bevorderden toen niet zozeer de houdbaarheid. Het in zeer grote kisten of
manden los verpakte fruit was immers zeer gevoelig voor beschadiging tijdens
de lange reis naar Twente.
Maar goed, het ging toen kennelijk uitsluitend om de kwantiteit, en niet
zozeer om de kwaliteit.
Gerrit Willem Assink
Zoals ik schreef werd mijn vader Willem geboren op 26 februari 1905 in
Goor.
Ik herinner me dat hij me eens vertelde dat hij als klein ventje in Goor soms
samen met zijn vriendjes wel eens ging vissen in de Molenbeek bij Diepenheim.
Deze beek stroomt nu tegenover de Eterniet fabriek in het (toen nog niet
bestaande) Twentekanaal.
Het Twentekanaal kwam overigens pas na
zes jaar graven in 1936 gereed tot aan Enschede.
Op acht jarige leeftijd verhuisde hij
met zijn broer Jan en zusters Mien en Jo naar de Molenstraat in Hengelo. Een
hele belevenis voor de kleine Willem. Hij moest naar die vreemde school met
al die stadskinderen en een andere meester.
Willem zal het zeker de eerste tijd moeilijk hebben gehad op school, daar in
Hengelo.
Hij begon van school weg te blijven. Er
was immers op straat veel meer te beleven. Voetballen was z'n lust en z'n
leven. Bovendien hadden z'n vader en moeder toch niets in de gaten. Die waren
veel te druk met de zaak.
Op z'n negende jaar begon hij sigaretten
te roken, hetgeen een levenslange verslaving voor hem zou gaan worden.
De opvoeding van de kinderen werd overgelaten aan het dienstmeisje dat
inmiddels voor het huishoudelijk werk was aangetrokken.
Geregeld kwam de veldwachter aan de Molenstraat waarschuwen:
"den wittn van oe is wear van school weg ebleamn, hee is wear ant
voetbaln op stroat".
Dan kreeg Willem weer straf..... van de dienstmeid.
Ik stel me zo voor dat deze straffen
nooit de strengste zijn geweest, want zo'n dienstmeisje moest natuurlijk ook
op haar tellen passen anders vloog ze de laan uit. De schooltijd verliep voor
Willem dus moeizaam. Ik heb overigens altijd bewondering gehad voor het
schoonschrift dat de kinderen vroeger werd bijgebracht op school. Mijn vader
Willem schreef Assink b.v. met zo'n mooie dubbele Duitse ringel S.
Hier ziet u een foto die gemaakt is van
de kinderen Assink omstreeks 1920 in de tuin van hun winkel-woonhuis aan de
Molenstraat in Hengelo. Vlnr. staan Mien, Jan, Willem en Jo. Op de voorgrond
staat hun kleine zusje Gerrie, ook Zus genoemd.
De jaren 1918 tot 1922.
Na zes jaar lagere school moest Willem net als z'n broer Jan werkzaamheden
verrichten in de zaak van z'n ouders.
Over deze periode uit het leven van mijn
vader is mij helaas weinig bekend. Willem was geen grote prater.
Zeker is dat hij flink moest aanpakken
en hele lange dagen maakte.
De zaken liepen inmiddels voortreffelijk
en inmiddels werd de huishouding geheel aan een paar dienstmeisjes
overgelaten.
Het spijt me overigens geweldig dat ik
ook nooit vragen heb gesteld over deze periode van zijn leven.
Willem's vrije tijdsbesteding.
Wel weet ik dat hij, zeg maar vanaf z'n zestiende jaar, deel uit maakte van
een vriendenclub. Enige namen die ik onthouden
heb zijn Frits Weijschedé, Jan Hulshof die met een Duits dienstmeisje van de
Assink's trouwde en Bernard Hunia. De laatstgenoemde werd later bloemist, en
ik geloof dat deze bloemenzaak nog steeds bestaat in Hengelo. De interesse
van mijn vader ging uit naar de radiotechniek. Heel wat uurtjes werden
hieraan met zijn vrienden besteed om
uit een krakende en gillende zelfgebouwde radio muziek te toveren. In de
twintiger jaren van de vorige eeuw stond de radio nog in de kinderschoenen.
Als je een beetje handig was, bouwde je in die tijd zelf je radio. Dit was
een stuk goedkoper dan een kant en klaar exemplaar te kopen in de
winkel.
Willem heeft een scharreltje.
Toen Willem zeventien jaar was, ontmoette hij mijn moeder, Carolina Hendrika
Evers, Lien genaamd, en kleermakersdochter uit Enschede, geboren op 17
januari 1906. Mijn moeder was toen sweet sixteen and never been kissed. Ze
was de eerstgeborene van het echtpaar Albertus Johannes Evers (*31-10-1879)
en Jeltje Camstra(*18-10-1883). Ik vernam van Grada Camstra, een nicht van
mijn moeder, dat de familie Camstra een eeuwenoud geslacht is. Zij kwam in
het bezit van de familie stamboom. Het blijkt dat onze tak van dit geslacht
traceerbaar is tot 1623. Bijna vier eeuwen geleden dus toen de tachtigjarige
oorlog nog woedde! Ook blijkt dat er ooit een adellijke tak Camstra is
geweest, die ophield te bestaan met de dood van de ongehuwde Hans Willem
Camstra in 1761. Hier ziet u overigens het familiewapen dat gevoerd werd door het
geslacht Camstra. Het betreft drie kenmerken: de wolkam, een ster en een rad.
De ster zou staan voor Maria-verering, terwijl de wolkam en het rad staan
voor werktuigen van de wolkammers. Onze verre familie zou dus ontstaan zijn
uit het ambacht der wolkammers. Moeder had drie jongere broers Bertus, Ab,
Henny en een zusje Ada. Op deze foto ziet u mijn opa en oma Evers met hun
hele kinderschaar. Het kleine kereltje, moeders broertje Henny zou echter al
op vier jarige leeftijd overlijden aan de gevolgen van difterie. Zijn
overlijden heeft groot verdriet gebracht binnen het gezin. Kort nadat deze
foto is gemaakt is Henny overleden. Lange tijd verkeerde de familie in rouw.
Moeder heeft hier nog vaak met mij over gesproken. Moeder doorliep met goed gevolg
de lagere school en de zevende en achtste klas van hoofdmeester C.Hueting. Ik
ben in het bezit van een oud schoolsschrift van Lientje Evers waarin ze
met een prachtig schoonschrift haar Duitse lessen opschreef. Hier ziet u
een afbeelding.
Deze school "C", gebouwd in
1900, was gelegen aan de Molenstraat in Enschede achter het toenmalige Oude
en Mannen - en Vrouwenhuis.
In het begin ontmoetten Willem en Lien elkaar in het geheim. Zij was immers
nog veel te jong voor verkering! Thuis wist men bij Lien niet beter dan dat
mijn moeder aan de wandel was met haar kleine zusje. Ada vond het wel best
want als Willem kwam kreeg ze altijd een stuk chocolade, als zoethoudertje.
Mijn vader was inmiddels achttien jaar geworden en behaalde z'n rijbewijs
door de examinator te tonen dat hij zonder brokken te maken een rondje kon
rijden. De examinator volgde deze kunsten dan vanaf een afstand,
waarschijnlijk om niet onnodig zijn eigen leven in gevaar te brengen...
Opa Evers
Ik heb Opa Albert Evers nauwelijks
gekend. Hij overleed toen ik drie jaar was.
Opa runde in Enschede een kleermakerij. Hij hield zich voornamelijk bezig met
het vervaardigen van herenkleding.
Confectiekleding zoals we dat nu kennen had je toen nog niet. In die jaren
lieten de heren zich door de kleermaker nog een kostuum aanmeten.
In drukke tijden had hij drie kleermakers in dienst.
Opa Evers was een enthousiast lid van
het operettegezelschap OVAL in Enschede. Op de foto links ziet u opa (rechts in
het midden) optredend als Tomas in de klucht "de bruiloft van Kloris
en Roosje" die ter gelegenheid van huwelijksfeest van de Enschedese textielfabrikant Harry ter Kuile op 24 juli 1926 opgevoerd werd in het
Enschedese Volkspark(?).
Een fotoalbum met foto's die gemaakt
werden op dit feest (inclusief bedankbriefje van Harry ter Kuile) is in mijn
bezit gekomen.
Opa Albertus Johannes Evers overleed op 66 jarige leeftijd aan de
gevolgen van keelkanker op 13 juni 1946.
Vaste verkering
Zo langzamerhand werd het tussen Willem en Lien een wat serieuzere
aangelegenheid. Ze ontmoetten elkaar in de weekends, dan werden fietstochten
gemaakt in de omgeving. Mijn moeder vertelde wel eens dat vader 's avonds
laat dikwijls nog op de fiets vanuit Hengelo naar Enschede kwam om nog maar
even een glimp van z'n Lientje te kunnen
opvangen. Het viel dan de volgende morgen niet mee om dan om bij het krieken
van de dag je bed uit te moeten als het de avond ervoor laat geworden was.
Vaders' werkzaamheden bestonden toen hoofdzakelijk uit het lossen van de
treinwagons. Dit lossen gebeurde uitsluitend met de hand. Heftrucks kende men
toen nog niet! Het vervoer van de aardappelen, groenten en fruit van het
stationsemplacement naar het pakhuis gebeurde dan met paard en wagen. Zwaar
werk dus, dat hij eigenlijk z'n leven lang is blijven verrichten, zonder
enige vorm van beklag. Hij wist toch niet anders... U ziet hier een kopie van
een verkreukelde foto van Gerrit Jan Assink samen met zijn
schimmel. Deze foto droeg mijn vader Willem Assink altijd bij zich in z'n
portefeuille. De foto had kennelijk emotionele waarde voor hem. Hij vertelde
me eens dat dit paard de lieveling was van zijn vader en dat het de kunst
verstond van traplopen. In het pakhuis was een trap die naar een grote zolder
leidde. Als het paard dan beneden stond, en je riep hem vanaf de zolder, dan
kwam hij de trap op naar je toe. Ik denk overigens dat het wel problemen
gegeven zal hebben als hij weer naar beneden moest...
Maar ik dwaal af. Ik vertelde u over het zware werk dat verricht werd in die
tijd.
Maar Willem en z'n oudere broer Jan hadden vanwege het feit dat ze bij hun
vader in dienst waren, ook wel een bepaalde vorm van vrijheid.
En om niet te vergeten hadden de mensen toen veel meer tijd voor elkaar, en
voor het werk dat verricht werd. Het ging allemaal gemoedelijker in die
tijd.
Wat dat betreft zijn de tijden er nu, met al ons gehaast en gejakker niet
beter op geworden. Deze foto toont de prachtig opgeslagen rieten
manden waarin het zachte fruit werd verpakt. Van links naar rechts zien we
Jan Assink, Gerrit Jan Assink, de nog kleine Gerrit de Roo, vervolgens het
personeel Vennink, Jansen, een Duitse jongeman Paul Pascholt, Gijs Bettman en
als laatste inde rij Willem Bettman. Waarschijnlijk zijn deze laatsten de
grondleggers van het in Hengelo bekende transportbedrijf Bettman.
De Waarbeek.
Een geliefd uitje op zonnige zondagmiddagen voor de toenmalige teenagers was
een trip naar de uitspanning "de Waarbeek", gelegen aan het
Twentekanaal, nabij de sluis in Hengelo. Daar kon dan gedanst worden op
"live muziek". Dit was ook de tijd die nu wel "de roaring
twenties" genoemd wordt. Misschien kun je zeggen dat deze periode wel
wat weg had van de "flower power tijd", die ikzelf meemaakte in het
begin van de zeventiger jaren. Als je over deze twintiger jaren een leuke
film wilt zien, die een beeld geeft van deze tijd, moet je eens kijken naar
Cabaret met Liza Minelli in de hoofdrol. Populaire dansen in die tijd waren
de shimmy en de charleston. Op deze foto zien we Willem en Lien op de voorgrond.
Zo te zien was dit voor de dames de tijd van de pothoedjes. Mijn moeder wist
zich zo te zien hiervan te onderscheiden door het dragen van een grote rieten
hoed. Even nog een beeld schetsen van "de Waarbeek". Je kon er
roeibootjes en later zelfs motorbootjes huren, zwemmen, en voor de kinderen
was er een grote speeltuin, waar ze zich uren konden vermaken. Zwemmen kun je
er weliswaar niet meer, maar ook nu nog is deze uitspanning een drukbezochte
uitgaansgelegenheid!
Geldontwaarding in Duitsland.
Vader en moeder maakten in die twintiger
jaren geregeld een uitstapje over de grens. Duitsland was nagenoeg bankroet
omdat de overwinnaars uit de eerste wereldoorlog het land verplicht hadden
tot enorme herstelbetalingen. Dit had een gigantische geldontwaarding tot
gevolg.
Het was zo erg, dat de Duitsers naar de
bakker gingen met een boodschappentas vol met bankbiljetten om een brood te
kopen.
Men mocht in die tijd ook maar een
gering bedrag aan Nederlandse guldens importeren in Duitsland, maar daar werd
natuurlijk enorm de hand mee gelicht. Men smokkelde ons Nederlandse geld
bijvoorbeeld keurig opgerold in het frame van de fiets de grens over, en kon
zich daar dan voor een niet al te groot bedrag een bepaalde vorm van luxe
permitteren, die voor de Duitsers zelf niet was weggelegd. De Enschedese
jeugd ging dan ook geregeld uit dansen en lekker dineren in Gronau omdat dat
zo lekker goedkoop was in vergelijk met ons eigen land.
Willem op dansles.
Mijn moeder vond dat
vader ook maar eens op dansles moest gaan, want als je als jongeman niet kon
dansen, dan was je niet modern. Dat woordje modern was in die tijd een veel
gebruikte uitdrukking. Mijn vader had er overigens een hekel aan om op
dansles te gaan. Vader voelde zich in een grote mensenmassa niet op z'n
gemak. Altijd als hij ergens naar binnen ging waar een aantal mensen aanwezig
waren was het voor hem een noodzaak eerst even een sigaretje op te steken.
Noemen de hedendaagse geleerden dit nu sociale fobie? Ik weet me te
herinneren dat mijn moeder me eens vertelde dat vader op 't laatst het gezeur
van haar zat was en besloot privé dansles te gaan nemen bij een van de
Hengelose dansscholen.
Stationsstraat 11, Hengelo.
Zo rond 1930 maakte tante Jo Assink haar trouwplannen met Jan Vos bekend bij
haar ouders. Besloten werd dat tante Jo dan de winkel aan de Molenstraat zou
krijgen en dat er een nieuw huis gebouwd zou worden aan de Stationsstraat,
tegenover het station.
Eind 1932 kwam dit kapitale huis gereed en de verhuizing vond plaats op
2 januari 1933.
Tante Jo Assink had zich bij de bouw
bezig gehouden met de binnenhuisarchitectuur. Zij had volgens zeggen een
goede smaak en veel gevoel voor esthetica. Zo was bijvoorbeeld de grote
badkamer helemaal betegeld met zachtblauwe tegels, en er was zelfs een
alarmkoord waarmee je noodgedwongen een alarmbel kon laten rinkelen. Iets
bijzonders in die jaren.
Er was in die twintiger jaren kennelijk
zoveel geld verdiend dat men zich deze extra luxe kon veroorloven.
Een keer heeft Gerrit Jan zijn Anne de
schrik op het lijf gejaagd door aan het alarmkoord te trekken. Anne rende als
een bezetene naar de badkamer op de eerste verdieping waar ze Gerrit Jan op
z'n buik met het hoofd onder water in het bad zag liggen. Wat was ze woedend
op hem toen bleek dat het loos alarm was. Het bleek een van Gerrit Jan's
practical jokes te zijn die absoluut verkeerd was gevallen bij Anne. Hij
moest daarom plechtig beloven nooit van z'n leven weer zoiets onzinnigs uit
te halen.
Oma en opa Assink hadden het in die tijd
zo druk met de zaak dat er naast de dienstmeisjes ook een huisknecht werd
aangesteld.
De naam van deze 'butler' was Willem.
Hij zwaaide de scepter over de dienstmeisjes. Op deze foto staat Gerrit Jan
Assink voor z'n nieuwe woonhuis. Een anekdote die tante Zus mij vertelde is
dat opa op een zaterdagmiddag samen met een buurman op het hekje voor het
huis gezeten, de benen van al het vrouwelijk schoon dat passeerde,
waardeerden door ze een cijfer te geven van een tot en met tien. Opa was toen
de zestig al gepasseerd! Ze zeggen wel eens: hoe ouder, hoe gekker!
Iedere zondagmorgen werd er door opa bij
Hotel Deters aan de Beursstraat een kaartje gelegd en een borreltje
gedronken.
Het kwam nog wel eens voor dat er
tijdens deze gelegenheden een borreltje teveel werd genuttigd wat tot gevolg
had dat opa na het middageten de hele zondagmiddag zat te slapen, en dat
stond oma niet aan. Er moest dus een compromis worden gesloten.
Met de uitbater van dit gerenommeerde
Hengelose hotel werd de afspraak gemaakt dat hij twee borreltjes dronk en
hierna borrelglaasjes met kraanwater werden geserveerd. Hierin konden zowel
opa, oma als de uitbater zich vinden omdat de laatste voor deze glaasjes
water ook keurig vijfendertig cent in rekening bracht.
De Nederlandsche Spoorwegen.
Ook vertelde ik dat oma Anne regelmatig per trein de veiling in Elst
bezocht. Oma was kennelijk een zo geregelde klant van de Spoorweg
Maatschappij dat, indien ze zich 's morgens vroeg wat verlaat had, de
conducteur keurig op haar wachtte en dan pas de trein liet vertrekken. Ook
interessant is te vertellen dat ze geregeld 's zomers met de trein terugkwam
uit Elst, met de treincoupé volgepakt met primeurs, zoals de eerste
aardbeien, frambozen, perziken en al wat dies meer zij. Deze foto geeft prachtig weer dat primeurs een
belangrijke rol speelden in de groente- en fruithandel. Hier kon je namelijk
wat extra's aan verdienen! Op het station van Elst zal het voor de terugreis
naar Hengelo wel ongeveer zo gegaan zijn:
" …kunt u nog even wachten conducteur, de laatste mandjes
aardbeien komen eraan….. "
Zou je tegenwoordig eens moeten proberen in de INTERCITY. Als Anne’s trein
dan arriveerde in het Station Hengelo, dan kwam het regelmatig voor dat opa
haar afhaalde met de vraag:" wat en hoeveel heb je vandaag
gekocht?" Als hij dan te horen kreeg wat ze allemaal gekocht had, dan
keerde hij hevig mopperend met haar naar huis terug. Hij vond dat ze dan weer
veel te veel gekocht had. "….doar komt wi'j nooit van of, woar mow't in
godsnaam loaten! Ie liekt ja wa mesjogge…" mopperde hij dan.
Ik vertelde het al eerder: oma was niet bang om grote partijen fruit te
kopen.
Hoogtevrees
Ook een prachtig verhaal is dat van de slecht trekkende schoorsteen aan de
stationsstraat. Het huis aan de stationsstraat had een grote uitbouw aan de
achterzijde waarin zich onder andere de bijkeuken, de kookkeuken maar ook een
pronkkeuken bevonden. Op een dag bleek dat het fornuis, dat zich in de
kookkeuken bevond, nogal rookte. Een paar kraaien had niet zo
lang geleden in de schoorsteen geprobeerd hadden hun nest te bouwen en dit
veroorzaakte waarschijnlijk de verstopping. Hier moest dus wat aan gedaan
worden. Opa liet zich op het keukendak tegen de ongeveer drie meter hoge
schoorsteen een ladder neerzetten, klom er op, en met een lange lat en maakte
hij de schoorsteen weer netjes schoon. Het karweitje was in een ommezien
geklaard en opa keek vol tevredenheid naar beneden. En dat had hij nou niet
moeten doen want toen bleek dat hij hoogtevrees had. En niet zo zuinig. Hij
durfde niet meer naar beneden te komen en klampte zich angstig vast aan de
bovenkant van de schoorsteen. En schreeuwde dat ze hem moesten komen halen.
Oom Jan en mijn vader moesten hem toen met z'n beiden staande boven op twee
ijlings aangesleepte ladders heel voorzichtig naar beneden helpen waarmee aan
het avontuur voor opa een einde kwam. Het paradoxale aan deze geschiedenis
is, dat hij later samen met oma en een collega grossier De Graaff (?)
een uitstapje maakten naar het vliegveld Waalhaven bij Rotterdam, alwaar
een rondvlucht werd gemaakt in een echte vliegmachine.
Op deze foto staan Gerrit Jan en Anne nog veilig op de grond.
Het "vliegbewijs" van deze rondvlucht is hier afgebeeld, en ik denk dat opa dit vol
trots aan de toenmalige toeschouwers van het nog niet vergeten
"schoorsteenavontuur" heeft getoond!
Anekdote
Zelf vertelde mij in de zestiger jaren ene heer Aalders, fruithandelaar en
commissionair uit het Gelderse, dat ene Anne Assink hem in de jaren dertig
eens had gered van een grote catastrofe door een partij aardbeien van hem
over te nemen die hij abusievelijk gekocht had en waarvan hij het aantal
colli verkeerd had ingeschat. Hij vroeg me of zij ook nog familie van me
geweest was. Ik voelde toen een gevoel van trots en ook van verdriet omdat ik
haar nooit gekend had. Dit is misschien wel een reden dat ik met deze kroniek
bezig ben gegaan.
Grijze haren.
Gerrit Jan schonk kennelijk veel aandacht aan zijn uiterlijk. Zo vertelde
mijn moeder mij dat hij zijn langzamerhand grijs wordende haar verfde met
thee. En laat nou niemand meer beweren dat mannen niet ijdel zijn…
Delicatessen
Tante Jo had van haar groentewinkel inmiddels een echte delicatessen winkel
gemaakt en was uiteraard een goede klant van opa als het om de primeurs ging.
Het ging iedereen goed daar aan de stationsstraat in Hengelo in de dertiger
jaren. Ook Jan Vos profiteerde van deze overvloed. Hij was bij opa in dienst
getreden als boekhouder en dit heeft ongetwijfeld van hem in de jaren die
volgden een gefortuneerd man gemaakt.
Van Huifkar naar Studebaker.
Het vervoer met paard en wagen werd
opgevolgd door vrachtauto's. Enige merken die ik nog weet te noemen, uit
verhalen van oom Jan Schekman en mijn vader zijn: HANSA LLOYD die nog uitgerust was met
kettingaandrijving en verder de merken REO, WHITE (model WA20) en een DODGE. Van enige vrachtwagens zijn foto's
bewaard gebleven, waarvan u hier de digitale kopieën kon zien. De Dodge truck
werd door oom Jan Schekman van een nieuwe (sloop)-motor voorzien en heeft tot
in 1942 nog gelopen. Hierna ging het niet meer vanwege het gebrek aan
brandstof. Het (civiele) gemotoriseerde vervoer lag toen nagenoeg
stil.
De motor van de Dodge werd gedemonteerd
en ergens achter in het pakhuis verstopt, waarvandaan hij nadien voor veel
geld door Jan Assink werd verkocht.
Op de foto van de White truck zag u een
van de dienstmeisjes, geflankeerd door de heren Jansen en Venning. Het
kereltje op de laadbak is mijn neef Gerrit de Roo.
Rond 1930 kocht Gerrit Jan deze Graham Paige die in 1935 werd ingeruild voor
een prachtige Studebaker type ‘President Sedan’.
De foto van deze Studebaker werd
gemaakt in 1936 voor vertrek van een van de zondagsritjes.
"Omdat mijn grootouders beiden geen
rijbewijs hadden, lieten ze zich rijden.
Als er uitstapjes gemaakt werden dan
werden mijn vader, oom Jan of tante Zus gecharterd.
Zij hadden alle drie een
rijbewijs."
Lien wil trouwen.
We gaan weer even terug naar ongeveer 1928. Willem en Lien kenden elkaar nu
zes jaar en beiden uitten bij opa en oma Assink de wens om te mogen trouwen,
want zes jaar geduldig op elkaar wachten was per slot van rekening ook niet
mis! Bovendien had Lien het dreigement geuit dat ze het uit zou maken als ze
nog langer zouden moeten wachten. Op de hier afgebeelde foto zien
we ze op de oude markt in Enschede zo rond 1930. Ze stuitten echter met hun
verzoek op flink wat weerstand bij opa en oma Assink. De motivatie hiervoor
was dat ze eenvoudigweg nog niet aan de beurt waren. Eerst waren Jo en Jan
aan de beurt, (die waren ouder), zo ging dat nou eenmaal. Maar na lang
aanhouden van Lien, die dan ook telkens dreigde de verkering te verbreken, en
ook aanvoerde als argument dat Jo en Jan de kans voorbij hadden laten gaan
gingen Gerrit Jan en Anne door de knieën. Het verlovingsfeest vond
plaats vond in huize Evers.
Hier ziet u het
portret van het gelukkige paar met alle genodigden tussen de tuindeuren.
De trouwdatum van Willem en Lien werd bepaald op 1 september 1931.
Lien en Willem getrouwd.
Mijn vader zal op deze dag van de
zenuwen het ene sigaretje na de andere hebben gerookt, en pas nadat Gerrit
Jan en Anne alle bestellingen de deur uit hadden, vertrokken de Assinks
vanuit de Molenstraat 64 naar Enschede.
Hierna vertrok de bruidsstoet vanuit
huize Evers aan de Ledeboerstraat 64 op deze prachtige nazomerdag in
koetsjes van de Stalhouderij Beunk naar het toenmalige stadhuis aan de
Langestraat in Enschede alwaar de trouwplechtigheid werd voltrokken.
Op deze foto ziet u het
gelukkige paar met links en rechts de bruidsmeisjes Ada Evers en Gerrie
Assink.
Mijn moeder vertelde me dikwijls dat deze trouwerij een zeer chique vertoning
was in de stad Enschede.
Hier ziet u een kopie van het
bruiloftslied, dat gezongen werd op de wijs van "einmal am Rhein".
Het bruiloftsmaal vond plaats in Hotel-restaurant "de Vluchte" aan
de Oldenzaalsestraat in Enschede.
Als u geïnteresseerd bent wat er zo'n driekwart eeuw geleden bij het
huwelijksfeest van Willem en Lien op tafel kwam als bruiloftsmaal, klik hier.
Overigens, tante Jo trouwde pas met haar Jan Vos in 1933, en op oom Jan werd
maar helemaal niet meer gewacht, want die hield er in die tijd uitsluitend
losse relaties op na.
Eindelijk getrouwd.
Lien en Willem kregen, zoals eerder opgemerkt, in 1932 als bruidsschat een
bananenstokerij- annex groothandel in groente en fruit in de grauwe
textielstad Enschede. Ook is er nog even sprake geweest van een bruidsschat
in de vorm van een hotel in het Duitse stadje Rheine. Mijn vader zag dit
laatste echter niet zo zitten, waarschijnlijk vanwege de onbekendheid met het
hotelvak. Bovendien verkeerde Duitsland in deze periode in een zware
economische crisis en viel er op zakelijk gebied dus weinig te verwachten in
de horeca.
Willem gaf de voorkeur aan een groothandel
in groente en fruit. Daarom kocht Gerrit Jan voor Willem en Lien een
leegstaand kerkgebouw aan de Ledeboerstraat nummer 51 in Enschede.
Van deze voormalige christelijk gereformeerde kerk uit 1900 werd de voorgevel
geheel gewijzigd en intern verbouwd als pakhuis annex bananenstokerij.
Het jonge paar had het geluk een woning
schuin tegenover het pakhuis te kunnen huren op Ledeboerstraat nummer
52.
Deze Ledeboerstraat was voor de
jonggehuwden overigens geen onbekend gebied want op dat moment Lien woonde
daar met haar ouders op het adres Ledeboerstraat 64. Hier ziet u een mooie foto van opa Evers samen met z'n drie
oudste kinderen poserend voor hun huis.
Moeder vertelde me eens dat haar ouders wel zeker tien keer waren verhuisd in
Enschede.
Ik verdenk mijn oma Jeltje Evers-Camstra ervan dat zij degene was, die zo als
we zo mooi zeggen, 'geen zit in 't gat' had.
Deze Ledeboerstraat is gelegen achter
het huidige warenhuis van V&D aan de Boulevard 1945 in
Enschede.
Een luchtopname van Enschede uit 1932.
Klik op de foto links voor een luchtopname uit 1932 van
Enschede.
De letters "A" en "B" staan voor respectievelijk vaders
Pakhuis en het Woonhuis aan de Ledeboerstraat 52 in Enschede.
Ik heb dit jpeg bestand met opzet niet al te zeer gecomprimeerd zodat u de
opname mooi kunt uitvergroten .
Het braakliggende terrein links op de
foto is van de voormalige volkswijk "De Krim".
De meeste afdakswoningen die daar stonden waren inmiddels al gesloopt.
Willem en Lien gaan in zaken!
Het pakhuis werd door opa vol handel
gezet, er werd een vrachtauto van het fabrikaat Dodge gekocht om de handel te
bezorgen, en mijn vader moest alles dan maar zien kwijt te raken. En
natuurlijk ook nog wat proberen te verdienen...
Onder eerste klanten die kwamen opdagen
bevonden zich natuurlijk ook de notoire dubieuze betalers onder het
groenteboerenvolk. Een anekdote hierover is later nog dikwijls door mijn
moeder verteld: Een bepaalde groenteboer uit Enschede weigerde een aantal
facturen te betalen. Dat was natuurlijk een doorn in het oog van mijn moeder,
die de boekhouding verzorgde. Zij charterde een collega groenteboer, die
gevraagd werd even een kleine dienst te verrichten, door met zijn paard en
wagen even met haar mee te rijden. Ze reden gezamenlijk naar de schuur van
deze slechte betaler, haalden de groentewagen naar buiten, bonden deze wagen
vast aan de andere, en zo kwam moeder met dit mooie onderpand terug aan de
Ledeboerstraat. Ze dacht waarschijnlijk: een brutaal mens heeft de halve
wereld! De groenteboer in kwestie betaalde daarna netjes het openstaande
bedrag, en kreeg daarna zijn wagen, die zolang in het pakhuis opgeslagen had
gestaan, weer terug.
Wat mij ook altijd bijgebleven is, zijn
de verhalen over de bananenstokerij. Deze groene bananen kwamen aan in
treinwagons in Hengelo en Enschede in trossen van ca twintig kilo, en moesten
dan in matig verwarmde ruimtes opgeslagen worden, onder toevoeging van
koolzuurgas, om dan te vervolgens te rijpen totdat ze mooi geel waren. Vanuit
Jamaica in West-Indië, reisden dan ook dikwijls grote tropische spinnen mee,
die dan als je met de bananen aan het snijden was, tevoorschijn kwamen en dan
wel eens sprongen maakten van soms wel een meter hoog.
Moeder schrok zich dan iedere keer weer een ongeluk...
Vaders concurrenten in Enschede waren die dagen de firma's Scholten, Cohen
(CO-BROS) en de Beer, waarbij de eerstgenoemde de grootste was.
De zaken in Enschede liepen in het begin nogal stroef, maar naarmate vader
wat meer bekendheid kreeg in Enschede en omstreken, begonnen de zaken beter
te lopen aan de Ledeboerstraat.
Ik heb nog een paar namen onthouden van het toenmalige personeel. Dit waren
de broers Cobie en Broer Huisman die later zelf een detailhandel in groente
en fruit zijn begonnen aan resp. de Janninksweg en de Elferinksweg in
Enschede.
Ook werkte bij vader een jonge knaap, genaamd Bos of Bosch, die later aan de
Kuipersdijk een tweedehands goederen zaakje dreef onder de naam PEDDY. Deze
laatstgenoemde, zo vertelde mijn vader wel eens, haalde voor een kwartje in
het pakhuis levensgevaarlijke kunsten uit door naar boven te klimmen op ca.
tien meter hoogte en dan hangend van de ene hanenbalk naar de andere naar de
overkant wist te komen. Men beweert dat deze Peddy na de oorlog miljonair
geworden is...
In Enschede aan de Ledeboerstraat liep inmiddels alles naar wens.
Vaders zaak begon te renderen en ook kon enige tijd vrijgemaakt worden voor
hobby en sociaal leven.
Vader had een grote liefde voor kleurkanaries en was lid van de
kanarievereniging, terwijl moeder lid werd van het operette gezelschap van de
OVAL dat geleid werd door de heer Roetgering-Schünlau. Zij zong in het koor
van dit operettegezelschap en heeft dikwijls in herinnering gebracht dat zij
hier vreselijk veel plezier heeft beleefd.
Ook waren zij actief lid van de Enschedese Zwemclub EZC. Hier leerden ze een
aantal mensen kennen waarmee ze geregeld feestjes organiseerden in hun
woonhuis aan de Ledeboerstraat. Lien was actief lid van de kunstzwemgroep
binnen EZC en moest geregeld met deze groep demonstratie zwemmen in het land.
Zo vertelde ze mij dat ze ook voor de opening van het voormalige zwembad in
de nabijheid van de Mallumse Molen in Eibergen waren uitgenodigd. Hier ziet u
een foto van een aantal van deze dames en heren,
fraai gekleed in galakostuum bijeen in de huiskamer van Willem en Lien Assink
aan de Ledeboerstraat. Enige gezichten die ik mij van deze mensen nog
herinner zijn:
1 Kees Thomasson, 2 Riek de Boer, 3 Paulie Pot, 4 Willem Assink, 5 Oom Ab
Evers, 6 Sientje Thomasson, 7 Gon ?, 8 Gerda Verveld, 9 Lien Assink.
Ook werd eens een keer een apachen-bal georganiseerd, waar de aanwezigen zich
allemaal prachtig uitgedorst hadden als Parijse straatbandieten met hun
vrouwelijke aanhang. Hier zien we het illustere gezelschap afgebeeld, met
mijn moeder vooraan zittend en rechts schuin daarachter mijn vader. Het is
mij niet bekend bij wie in huis deze foto is gemaakt. De foto is in het einde van
de dertiger jaren gemaakt.
Kijk eens naar die zorgeloze, vrolijke gezichten. Prachtig om naar te kijken
toch? Vader en moeder hadden toen nog geen idee wat hun nog alles te wachten
stond.
Oorlog.
Op 10 mei 1940 verklaarde Duitsland ons land de oorlog. De Nederlandse
bevolking was helemaal overdonderd door de onheilspellende berichten die uit
de luidsprekers van hun radiotoestellen kwamen: het Duitse leger trok de
grens over met groot vertoon van macht, daarbij slechts op geringe tegenstand
stuitend van onze Nederlandse grenstroepen. Op sommige plaatsen werd door ons
slecht bewapende Nederlandse leger verbeten stand gehouden, waarbij hierdoor
met name op de Grebbeberg bij Rhenen vele slachtoffers vielen door het
oorlogsgeweld. Ondanks de overgave van de stad Rotterdam aan de vijand, werd
deze toch daarna zwaar gebombardeerd. Hierna volgde de algehele capitulatie
aan de Duitsers. Dit nutteloze en strategisch volkomen overbodige
bombardement op de nauwelijks tegen luchtaanvallen verdedigde stad Rotterdam
heeft een groot aantal burgerslachtoffers gekost, hetgeen bij onze
Nederlandse bevolking voeding gaf voor gevoelens van afschuw tegen alles wat
Duits was. Maar het leven ging in Hengelo en Enschede gewoon door, en de
bevolking raakte langzaam gewend aan de Duitse uniformen op straat. Men dacht
dat het allemaal nog wel zou meevallen... Toch deden zich in de eerste
oorlogsdagen al veranderingen voor die de voorboden zouden zijn van een hoop
ellende in de komende jaren voor onze bevolking. Gemotoriseerd verkeer werd vanwege
de benzineschaarste verboden voor nagenoeg iedereen die niet kon aantonen
hier beroepshalve gebruik van te maken voor gemeenschapsdoeleinden, en
bovendien gingen een groot aantal levensnoodzakelijke artikelen zoals brood
en brandstoffen op de bon. Vanwege de langzamerhand ontstane voedselschaarste
werden in de grote steden van ons land gaarkeukens opgericht waar de
bevolking tegen inlevering van een vetbon, voor de geringe som van 1
dubbeltje een gezonde maaltijd konden ophalen. In Hengelo en Enschede bij opa
en mijn vader werden contracten afgesloten met het Rijksbureau voor
Voedselvoorziening voor de levering van aardappelen en groenten aan deze
gaarkeukens. Een gedetailleerde beschrijving over het functioneren van deze
Enschedese gaarkeukens staat in "n Sliep Steen" nummer 60 van eind
1999. Dit is het blad dat uitgebracht wordt door de historische kring
Enschede. Dit betekende in deze zware tijd een gegarandeerd inkomen voor opa
en vader. Er werd in die dagen veel omgezet met zéér tevredenstellende resultaten.
Gerrit Jan vertelde eens, dat als hij bij wijze van spreken een keer tegen
een zak aardappelen aan schopte, deze zak honderd gulden meer zou opbrengen.
Ik denk dat hij hier mee bedoelde, dat hij er in principe voor kon vragen wat
hij wilde. Een aantal van zijn klanten die slecht bij kas zaten, verstrekte
hij een tweede hypotheek op hun huis als een soort lening. Hiermee konden ze
dan bij opa hun handel financieren. Dit hield natuurlijk ook in dat hij deze
groenteboeren aan zich bond en ook dat leverde ook weer geld op.
Anne Assink ziek.
Maar wat heb je hier allemaal aan als je gezondheid je in de steek laat? Oma
Anne's lichamelijke gesteldheid werd slechter en slechter. Ze wist dat ze
niet meer lang zou leven. Eens, op haar ziekbed vroeg ze mijn moeder te
beloven onze Willem nooit in de steek te laten. Mijn moeder deed deze belofte
gestand! Het enige waar men zich binnen de familie Assink zorgen om maakte
was de lichamelijke gesteldheid van Anne Assink. Anne was in 1939 beginnen te
kwakkelen met haar gezondheid en was toen nog maar zestig jaar. Later, na
diverse onderzoeken bleek dat ze leed aan een hier in het Noorden van Europa
zelden voorkomende leverkwaal. Erg vreemd, want oma had nog nooit in haar
leven een druppel alcohol aangeraakt. Hier zien we een afbeelding uit 1941 van mijn oma, stevig
gearmd met tante Mien en tante Jo. Het is goed te zien dat oma al erg ziek
was. Ze was erg vermagerd en was niet meer de trotse, zelfverzekerde vrouw
die we kennen van eerdere foto's in deze kroniek. Ook zien we dat tante Jo er
wat magertjes uitziet. Het is mij bekend dat zij in deze tijd emotioneel
behoorlijk wat te verwerken heeft gehad vanwege een niet zo gelukkig
huwelijksleven. Jan Vos had z'n congé gekregen als boekhouder bij opa's
groothandel en moest een baantje aannemen als handelsreiziger bij de
jamfabriek "de Betuwe". Opa Assink kon zijn schoonzoons bloed wel
drinken. Het verhaal gaat dat opa Assink ooit in een zeer kwade bui Jan Vos
met grote kracht een melkkoker naar het hoofd slingerde toen deze de
woonkeuken binnen kwam, en hem (gelukkig maar) miste, waarbij de melkkoker
tegen een muur van de woonkeuken aan gruzelementen vloog. Het conflict liep
op het laatst zo hoog op dat de bedrijfsleiding van de comestibles winkel aan
de Molenstraat werd overgegeven aan Egelbert(?) en Jo van Tongeren.
Dit hield in dat Jan en Jo Vos met dochtertje Nanny moesten verhuizen naar
een etagewoning in de Nieuwstraat in Hengelo.
Men was overigens heel erg gesteld op tante Jo, die zoals mijn moeder wel
eens vertelde, de eigenschap bezat niet te goed te kunnen plannen. Ze had
onder andere geregeld problemen met het aantrekken van haar (zijden) kousen
waar ze dan ladders in trok wanneer ze grote haast had om uit te gaan.
Ze zat dan te jammeren omdat haar man al lang en breed vertrokken was naar
hun bestemming voor die avond.
Hij wenste hier dan niet op haar te wachten. Dit kenmerkt een beetje de
atmosfeer in huize Vos.
Anne schijndood.
Moeder vertelde mij dat Anne op haar ziekbed op een gegeven moment door de
huisarts voor de dood was weggehaald en, dat ze dit naderhand helemaal niet
zo op prijs had gesteld. Ze vertelde dat ze de mooiste visioenen had gehad,
die samengingen met een groot gevoel van welbehagen. Oma was een aantal
minuten schijndood geweest.
Anne overleden.
Mijn oma Johanna Willemina Assink-Endeman overleed op 18 mei 1942 op
drieënzestig jarige leeftijd en werd begraven in een prachtig groot koopgraf
op de algemene begraafplaats aan de Oldenzaalsestraat in Hengelo. Opa vond
het een noodzaak dat oma begraven zou worden in de nabijheid van de
familiegraven van Stork, de patriciërsfamilie in het Hengelo van toen. Hij
wenste dat oma "op stand" de eeuwigheid in ging. Dàt had ze toch
zeker in haar leven verdiend? Ik ben in januari '97 samen met mijn zoon Gert
op zoek gegaan naar dit graf. Het was op een bitter koude zondagmorgen. Nadat
we beiden de hele begraafplaats hadden afgezocht, en niets hadden gevonden,
gaven we de moed op, en keerden huiswaarts. Toen we de uitgang van de
begraafplaats naderden, was het een laatste blik naar links die uiteindelijk
succesvol bleek.
Ik had toen een beetje het gevoel dat het vanzelfsprekend was dat ik het graf
gevonden had...
Daar stonden we dan als enige stamhouders voor het graf, beide met een vreemd
gevoel van ontroering. Gevoelsmatig bracht het me een stukje dichter bij mijn
grootouders. Een goed gevoel was dat!
Overigens, voor diegenen onder u, die geïnteresseerd zijn in de ligging van
dit graf: als u de poort van de begraafplaats bent gepasseerd, en u kijkt dan
een beetje schuin naar links, dan kunt u het graf zien liggen onder een grote
boom.
Opa Gerrit Jan was weduwnaar geworden en moest het van nu af aan zelf maar
zien te runnen. De familie besloot na enige tijd dat er een huishoudster
moest worden aangesteld om de dienstmeiden aan het werk te houden. Hiervoor
werd gevonden ene mevrouw Jo Schothuis, een streng katholieke weduwe uit
Hengelo. Zij zwaaide voortaan de scepter in de huishouding aan de
Stationsstraat.
Een chique trouwpartij in Hengelo.
Toch was er naast het verdriet om oma, ook nog iets om met blijdschap naar
uit te kijken. Zus en Jan Schekman hadden hun trouwdatum vastgesteld op 21
december 1942. Van deze trouwplechtigheid werd een film (celluloid) gemaakt,
die later door Nanny Vos werd overgezet op videoband. Ook ik ben in het bezit
van een VHS kopie van deze opname! Als je goed oplet, zie je mijn vader en
moeder ook nog in zeer korte fragmentjes lopen. Mijn moeder was toen al in
verwachting van mij, terwijl mijn vader de voet in het gips had vanwege een
gebroken enkel. Deze foto is tijdens deze filmopnamen gemaakt en
toont mijn opa Gerrit Jan op de voorgrond met boven aan de trap aan de
rechterkant mijn vader, met naast hem, nauwelijks zichtbaar, mijn moeder.
Voor mijn ouders staan Jan en Mien de Roo.
De man met de bril is vader Schekman met aan zijn rechter zijde tante
Mientje, de zus van opa, en uiterst links moeder Schekman. Je ziet aan
Gerrit Jan z'n gezichtsuitdrukking dat hij een moeilijke tijd achter de rug
heeft.
Luchtoorlog
Naarmate de tijd vorderde werd de oorlog
voor onze bevolking voelbaar moeilijker. Vanaf eind 1942 werd er veel hinder
ondervonden van bombardementen door geallieerde vliegtuigen op strategisch
gelegen objecten zoals het vliegveld Twenthe. Geregeld loeiden er 's nachts
in de Twentse steden de sirenes van het luchtalarm. Dit hield in dat een
ieder een veilig heenkomen zocht, b.v. in de kelder onder zijn huis of in een
der openbare schuilkelders die inmiddels in opdracht van de overheid waren
gebouwd. Het grootste deel van de bevolking waande zich in huis wel veilig
onder de trap naar boven of gewoon in de huiskamer, althans op de
benedenverdieping van zijn huis. Mijn moeder vertelde dat hun witte
keeshondje "Bobby" altijd bij luchtalarm in één van de
aanrechtkastjes kroop. Men kon pas weer gaan slapen als het luchtalarm het
sein alles veilig had gegeven.
Nachtrust werd zo langzamerhand een kostbaar goed.
Het was die tijd bij Willem en Lien Assink een komen en gaan van reizigers
die dan meestal voor één nacht aan de Ledeboerstraat verbleven. Deze
reizigers, (moeder vermoedde dat dit vaak mensen waren uit
verzetsorganisaties) die op doorreis naar het zuiden van het land waren,
werden meestal meegenomen door Harm Koeneman, een zakenrelatie van vader uit
het Groningse Sappemeer.
Deze Harm Koeneman leverde vader wagonladingen kool die nodig waren voor de
gaarkeukens in Enschede.
Dikwijls werd er tijdens deze kortstondige logeerpartijen een feestje
georganiseerd omdat deze Koeneman kennelijk voldoende middelen bezat om de
toen peperdure drank te financieren.
Kraamfeest!
Eindelijk na twaalf jaar huwelijk beviel
moeder Lien op zaterdag, 24 april 1943 van een negen pond zware zoon die
gelijk na de geboorte al een spaarbankboekje met een voor die tijd grote som
geld a NLG1000,- als geboortegeschenk overhandigd kreeg van zijn opa Gerrit
Jan, omdat hij op zijn wens naar hem vernoemd was geworden. Veel geld in die
tijd!
Ledeboerstraat.
Hier plaats ik een foto die genomen is
achter ons huis aan de Ledeboerstraat 52 in Enschede.
Het is 1944 en ik ben op deze foto 13 maanden oud.
Zo te zien leed ons gezinnetje geen armoe en maakten Willem en Lien een
gelukkige indruk.
Moeder wandelde met haar rieten kinderwagen trots door de stad en als mensen
haar in de weg liepen, dus gepasseerd moesten worden, dan belde ze even met
de fietsbel die op de stang van de kinderwagen gemonteerd was...
Sommigen sprongen dan opzij met de gedachte dat ze anders overreden zouden
worden door een fietser.
Deze foto geeft echter een verkeerd beeld van de toenmalige situatie. Er
heerste vooral in dit laatste jaar van de oorlog een continue angst voor de
bombardementen die zowel ´s nachts als overdag plaats vonden op steden en
dorpen in het grensgebied van Twente met Duitsland.
Bewonerslijst van de Ledeboerstraat in
Enschede in 1939.
Voor de geïnteresseerden onder u: klik hier op de bewonerslijst van de
Ledeboerstraat uit 1939.
De met een sterretje gemerkte namen zijn de toenmalige hoofdbewoners.
Ook noem ik de joodse buren van mijn ouders die omkwamen in
concentratiekampen van de Nazi´s.
Ik heb als kleine jongen mijn ouders nog dikwijls vol afschuw horen praten
over deze Nazi terreur.
Vergissingsbombardementen.
De stad Enschede is, zoals ik al schreef, gedurende de tweede wereldoorlog
zwaar geteisterd door bombardementen. Het kwam nogal eens voor dat
geallieerde bommenwerpers werden opgejaagd door Duitse Messerschmidt
jachtvliegtuigen of binnen het bereik van luchtafweergeschut vlogen.
De bommenlast werd dan op willekeurige
doelen gedropt om dan snel naar veiliger hoogten te kunnen stijgen.
Hierdoor zijn er bij vergissing een aantal bombardementen op Nederlandse
steden en dorpen uitgevoerd door met name Amerikaanse vliegers die
dachten zich nog boven Duits grondgebied te bevinden.
Gebrek aan opleiding van het Amerikaans
vliegend personeel heeft hierdoor in Enschede en Nijmegen
verschrikkelijk veel extra oorlogsleed veroorzaakt.
Deze lijst vermeldt de datum en plaats van deze bombardementen op
de stad Enschede en is door dhr. Bert van der Velden uitgezocht en ontleend aan
de "Schadekaarten van de Gemeente Enschede 1946 en 1947" uit het
Gemeentearchief van Enschede.
Een uitgebreid verslag van het
vergissingsbombardement op Nijmegen, Arnhem en Enschede van 22 februari 1944
kunt u nalezen in het door Alfons E. Brinkhuis geschreven naslagwerk "DE
FATALE AANVAL".
Dit boek wordt integraal weergegeven op
als u op de afbeelding rechts klikt.
(let op: dit pdf document telt 143 pagina´s !!!)
Gerrit Jan wordt gedwongen te verhuizen.
Ook Hengelo werd in
die tijd zwaar geteisterd door aanhoudende bombardementen vanwege de
strategische ligging van het aldaar liggende spoorwegknooppunt.
Opa's woonhuis aan de Stationsstraat 11 en nog een ander nabijgelegen
woonhuis werden in 1941 gevorderd door de Duitse "Bahnhof
Kommandantur". Dit betekende dat ze gemeubileerd moesten worden
overdragen.
Oom Jan Schekman heeft echter met een bakfiets het gehele meubilair en de
stoffering kunnen opslaan in een huis aan de Tuindorpstraat alwaar opa
vervangende woonruimte had gekregen.
De bombardementen van 6 en 7
oktober 1944 op Hengelo.
Hieronder plaats ik een kopie van een
artikel in de 'Twentsche Courant" van 3 oktober 1984 waarin een
overlevende beschrijft wat er zich afspeelde op 6 en 7 oktober 1944.
Hengelo,
Een stralende herfstdag, die vrijdag 6 october 1944. Voor de Hengeloërs is
het niet ongewoon om soms de echo's van explosies te horen, wanneer de
geallieerden vanuit de lucht doelen aanvallen om de Duitse oorlogsmachine
verder te ontregelen. Op die vrijdag, en de dag daarop, is de stad zélf het
doelwit van de geallieerde vliegtuigen. Een regen van bommen vaagt in die
beide dagen de binnenstad en omgeving weg. Het doelwit: het
spoorwegemplacement, een belangrijke aan- en afvoerschakel van de
bezettingsmacht. Er kwamen 125 Hengeloërs om het leven en zo'n 500 Duitsers.
Bijna veertig jaar geleden voltrok zich deze ramp over de stad. De aanval
kwam onaangekondigd. Luchtalarm werd er niet gegeven, en dat was een
gelukkige omstandigheid, omdat de fabrieken daardoor niet leegliepen. In een
verslag uit de Twentsche Courant uit '58, waarin onder de kop "Hengelo
herrezen" de gevolgen nog eens worden beschreven, wordt ondermeer gemeld
over die eerste dag: "Een groot deel van de binnenstad was door bommen
vernield, Maar ook was er onheil aangericht op de Grundel, Anninksweg,
Weemenstraat, Cronjéstraat, Oldenzaalsestraat en Waarbekenweg. Politie,
brandweer, Rode Kruis, reddingsploegen, verplegend personeel alsmede vele
geestelijken trokken er dadelijk op uit om de gewonden bij te staan en de
doden te bergen. Uit datzelfde verslag: Aan de Telgen zaten toen mensen
opgesloten in een kelder. Door de enorme ravage die was aangericht, heeft men
ze niet snel genoeg kunnen bereiken. Toen men tot de schuilplaats was
doorgedrongen bleken allen te zijn overleden. Zo speelden zich op meerdere
plaatsen afschuwelijke taferelen af. Zoals de zes meisjes, die onder de
vallende muren van de KNKS de dood vonden, en na dagen van zoeken en puin
verwijderen werden gevonden. De volgende dag was het rampgebied verlaten,
maar de hulpverleners zetten hun werk voort in de binnenstad. En zij werden
door een nieuwe bomaanval verrast. Het station kreeg nu vele voltreffers, het
treinverkeer werd onmogelijk. Het dodencijfer op deze zaterdag 7 october
bedroeg 28 Hengeloërs. Van de binnenstad was vrijwel niets meer over.

De heer G.J Schrage was in die tijd
werkzaam bij de distributiekring. Z'n journalistieke werk had hij in het
begin van de bezettingsjaren moeten opgeven, omdat hij weigerde een
bombardement in het begin van die periode op de hoek van de Brinkstraat en de
Enschedesestraat in de schoenen van de Engelsen te "schrijven". Hij
maakte de bombardementen van 6 en 7 oktober 1944 mee en herinnert zich deze
ramp, zoals hij die beleefde in details.
Op 6 oktober 1944 sloeg voor oom Jan en tante Jo Vos in de Nieuwstraat het
noodlot toe. Het kost moeite je voor te stellen wat het effect is van
een bombardement met fosfor bommen. Fosfor doof je nl. niet met water, het
brandt door totdat het is uitgewerkt. Jan en Jo Vos zijn hierdoor levend
verbrand. Afschuwelijk…
De bombardementen van 6 en 7 oktober
1944 werden overigens uitgevoerd door resp. 36 en 35 stuks B26 Martin
Marauders van de USAAF. (foto rechts).
Zij wierpen in tegenstelling met de raids van de Britse Royal Air Force
vanaf grote hoogte hun bommenlast af.
Strategische bombardementen noemden de Amerikanen het...
Aldus de Henk van Baaren's zeer
uitgebreide naslagwerk "Bommen vielen op Hengelo".(uitgave: Broekhuis, Hengelo Ov.)
Het leven van mijn nicht Nannie bleef,
zoals ik al eerder opmerkte in deze kroniek wonderwel gespaard omdat ze bij
een tante in het tuindorp 't Lansink aan het koekjes bakken was.
Opa Gerrit Jan ging op zaterdagochtend 7 oktober samen met een zoon van zijn
huishoudster Jo Schothuis, vanuit het tuindorp 't Lansink naar de stad om de
schade op te nemen.
Heel z'n levenswerk was weggevaagd door
die verdomde oorlog. Zijn dochter Jo, z'n mooie huis aan de Stationsstraat
11, het pakhuis en het winkel/woonhuis aan de Molenstraat 64. Alles was
weg.
Wat zal hij een verdriet hebben gehad.
Gelukkig wist hij toen nog niet onder welke verschrikkelijke omstandigheden
zijn dochter Jo en Jan Vos om het leven waren gekomen.
Opa was tussen de puinhopen aan het
zoeken naar voorwerpen van waarde toen er, zonder dat er luchtalarm werd gegeven, opnieuw een hel losbrak
boven het centrum van Hengelo.
Op de foto linksboven ziet de
uitgebrande restanten van zijn winkelpand aan de Molenstraat 64 met
links daarnaast de eveneens uitgebrande slagerij van mijn oom en
tante de Roo.
...Schothuis kon de schuilkelder van
fietsenmaker Bruist aan de Molenstraat nog bereiken. Hij raakte
"slechts" licht gewond. Opa reageerde te laat. Hij werd op slag
gedood.
Oom Jan Schekman bezocht even hierna het ziekenhuis waar Schothuis was
opgenomen. Hier vernam hij waar opa's stoffelijk overschot gezocht zou
moeten worden. Hij vond het stoffelijk overschot van Gerrit Jan
uiteindelijk dichtbij de ingang van de schuilkelder van Bruist.
Hij had Gerrit Jan's zelfgebreide sokken herkend...
Hier ziet u een foto van het verwoeste
centrum, gezien vanaf het Hengelose station. U krijgt hiermee een
indruk welk een ramp zich in het centrum van Hengelo voltrok op deze 6e
en 7e oktober 1944.
Gerrit Jan werd naast Anne begraven. Nu
waren ze weer samen...
Mijn ouders vernamen van de notaris dat
er nagenoeg niets te erven viel uit de nalatenschap van opa Assink.
Ook bleek dat ook de altijd zo goed
gevulde brandkast leeg was, hetgeen voor iedere (?) betrokkene een
onbegrijpelijke zaak was. Wie had hier de hand in gehad?
Dit raadsel is tot nu toe nooit
opgelost.
Het bombardement van 22 maart 1945 op Enschede.
Uiteindelijk zou ons gezinnetje ook niet gespaard blijven voor dit noodlot.
Hieronder plaats ik een tweetal kopieën uit het boek ENSCHEDE 1940-1945 van
T.Wiegman. Deze foto's geven de verwoesting weer aan huizen
in de onmiddellijke omgeving van de Ledeboerstraat.
lk citeer nu uit dit boek:
En zo werd het 22 maart 1945. Op deze
donderdagmiddag verschenen omstreeks 15.50 uur zes bommenwerpers boven de
stad, die hun lading van 36 brisantbommen en 30 splinterbommen afwierpen. De
bommen kwamen terecht in de Berkenkamp, Beukinkstraat, Brinkstraat,
Kalanderstraat, Ledeboerstraat, Perikweg, Soendastraat en Spelbergweg,
terwijl ook de R.K. Kerk aan de Oldenzaalsestraat werd getroffen,
blindgangers kwamen terecht aan de Oldenzaalsestraat, Horstlindeweg, Jacob
Obrechtstraat en de Soendastraat. Blok 43 was zwaar getroffen, (Enschede was
door de luchtbeschermingsdienst verdeeld in blokken). De trieste balans
bedroeg 65 doden, 32 zwaar gewonden en 100 licht gewonden. Ook de materiele
schade was groot, 96 woningen werden totaal vernield, l38 zwaar beschadigd en
67 woningen kregen glas - en dakschade. Over dit bombardement vertelde August
Seckel later: "Op het ogenblik, dat we laag overvliegende vliegtuigen
hoorden, sloegen de eerste bommen in. Ruiten vlogen eruit en de vloer goIfde
onder onze voeten. Plafonds vielen naar beneden. Tijd om naar de schuilkelder
te gaan was er niet meer, dus kropen we in de gang onder de trap, de
veiligste plaats in huis. Toen het even wat stiller werd keek ik even naar
buiten, en zag door rook en stof heen, mensen de schuilkelder in vluchten.
Opnieuw kwamen bommen fluitend omlaag. Terug in de schuilplaats onder de trap
goIfde opnieuw de grond toen de bommen insloegen. De vliegtuigen waren even
snel verdwenen als ze gekomen waren. Tussen het lawaai door ging het
luchtalarm. Het was 4 uur in de middag, alles heeft maar een paar minuten
geduurd maar de verwoesting was compleet".
Deze foto's geven de verwoestingen weer die in onze buurt werden aangericht
die middag.
Dit bombardement dat zoals u las, ook de Ledeboerstraat trof, vernielde ons
pakhuis geheel en voor een groot gedeelte ons hier tegenover gelegen
woonhuis.
Mijn moeder lag op dit moment in bed vanwege een kort hiervoor geleden
miskraam.
Ook ik lag in mijn kinderledikantje als
bijna tweejarige peuter m'n middagdutje te doen.
Vader bevond zich in de tuin.
Hij zag de de vliegtuigen overkomen en
de bommen op het huis vallen. Hij moet versteend zijn geweest van
schrik...
Ik kan me deze gebeurtenis uiteraard
niet meer herinneren, maar mijn moeder vertelde me later dat ze, kort voordat
de bommen vielen, als het ware door een onzichtbare hand in bed werd
gedrukt.
Dit heeft wonderwel haar redding
betekend want als ze uit bed was opgestaan om met mij op de arm weg te
vluchten naar de benedenverdieping, was dit catastrofaal geweest voor ons
beiden. Het hele trapgat met de overloop waren verdwenen.
Als door een wonder was geen van ons drieën was gewond geraakt.
Ik had weliswaar de brokken puin in mijn ledikantje liggen, maar had geen
enkel schrammetje opgelopen.
"Tante" Bep Hofstede, een
vriendin van moeder vertelde me dat ze van haar werk als verkoopster bij de
herenmodezaak Kuiper aan de toenmalige Oldenzaalsestraat (nu Heurne), direct
na dit bombardement naar huis rende.
Ze kwam langs de Ledeboerstraat en zag dat ons huis ook gebombardeerd
was...
Moeder zat lijkbleek in een vrachtwagen van Koeneman en was niet
aanspreekbaar. Ze had een shock. Wat moesten ze nu? Nagenoeg alle aardse
bezittingen waren van het ene op het andere moment vernield of zoekgeraakt.
Enige meubelstukken konden nog gehavend uit de puinhopen worden
gehaald.
Later werd uit de restanten van het huis en het pakhuis nog veel van de inboedel
geroofd door aasgieren die hiervoor speciaal 's nachts op pad gingen. We
werden ook geholpen. Babykleertjes bijvoorbeeld, werden door de familie Joh.
Nijenhuis van de meubelwinkel aan moeder geschonken.
Vader Willem was helemaal de kluts kwijt na dit bombardement.
Moeder vertelde dat hij uren achtereen op de puinhopen aan het zoeken was
geweest naar zilveren dubbeltjes die hij opgespaard had. Alsof er niet wat
anders te doen was... Achteraf denk je dan wel eens dat zo'n gebeurtenis een
mensenleven lang z'n sporen achterlaat.
Traumateams kende men toen nog niet, en iedereen moest maar zien hoe hij of
zij het rooide.
Vader was overigens niet tegen molest
(oorlogsschade) verzekerd, waarbij ik me trouwens afvraag of dit in deze
oorlogstijd wel tot de verzekerings mogelijkheden behoorde.
Maar goed dat opa Assink mij dat spaarbankboekje had gegeven. Konden ze zich
van dat geld in ieder geval van de eerste levensbehoeften voorzien.
Het was een gigantische catastrofe dus voor ons gezin die z'n nasleep nog zou
krijgen.
Hessenweg Enschede
Ons voorlopige onderdak werd het huis van de familie K. aan de
Hessenweg.
K. was de leider van de Nederlandse WA in Enschede. Mijn ouders kenden de
familie K. van de zwemclub E.Z.C. waar hij een bestuursfunctie bekleedde.
Deze K. had in die dagen met zijn echtgenote en kinderen de wijk
genomen naar Groningen, dat nog vast in handen was van de Duitsers.
De Tommies waren immers in aantocht, en iedereen die wat op z'n politieke
kerfstok had kneep hem als een dief voor de zogenaamde
"bijltjesdag".
Zijn huis aan de Hessenweg was dus onbewoond. lk schat dat we ongeveer een
half jaar aan de Hessenweg hebben gewoond. Hierna moesten we dit huis
verlaten en verhuisden naar de Emmastraat 123 in Enschede, waar m'n
herinneringen naar teruggaan tot ongeveer het jaar 1948. Mevrouw K. kreeg het
huis na de oorlog overigens niet weer terug omdat in die tijd veelvuldig
bezittingen van landverraders verbeurd verklaard werden.
Op eerste paasdag, 1 april 1945 werd de stad Enschede door het tweede Engelse
leger en het eerste Canadese leger onder bevel van veldmaarschalk Montgomery
bevrijd. Bijna iedere inwoner van Enschede was blij…
Emmastraat 123, Enschede. 
Volgens de "Naamlijst voor den Telefoondienst" was hier in 1915
gevestigd het assurantiekantoor van P.W.Zijlstra, en volgens het adresboek
van de Gemeente Enschede woonde hier in 1939 de katoenagent
J.W.Reinders.
Het huis werd in 1946 aan ons toegewezen door de dienst volkshuisvesting. Het
was zo groot, dat het kon worden opgedeeld aan twee gezinnen.
Op de eerste verdieping woonde de familie Nijzing die waarschijnlijk ook
uitgebombardeerd waren.
Twee gezinnen onder één dak dus.
Wij woonden beneden en vader en moeder sliepen op zolder.
Mijn kinderkamer was op de eerste etage aan de achterzijde van het
huis.
De familie Nijzing bewoonde de overige kamers op de eerste etage.
Ik herinner me de imposante, met smeedijzer bewerkte voordeur, de grote, met
blauw met wit en okerkleurige plavuizen betegelde hal met aan de rechterkant
de trap naar de eerste verdieping, waar ik geregeld via de leuning naar
beneden gleed. 's Morgens om half acht, tussen de middag om twaalf uur en
half twee en om half zes 's middags hoorde je de fabrieksfluiten van de
textielfabriek Scholten aan de Haaksbergerstraat gaan ten teken van begin of
einde van de arbeid. Tegenover deze fabriek speelde ik in de ruïne van een
weggebombardeerd huis. Later bouwde men hier de supermarkt Weijenberg.
's Zondagmorgens kregen we zeer geregeld
koffiebezoek van ooms en tantes met neefjes en nichtjes. Er werden dan
grammofoonplaten gedraaid van de Ink Spots (=into each life some rain must
fall ) en niet te vergeten Bing Crosby (=now is the hour for me
to say goodbye ). Deze laatste had een geweldig mooie stem, vond moeder. Nog
mooier dan die van Danny Kaye of Frank Sinatra.
Regelmatig bakte ze grote appeltaarten
die door de hele familie geroemd werden. Het leek er soms wel op dat ze er
lucht van hadden gekregen als er weer een gebakken was. Dan hadden we zondags
het huis vol volk.
Ik weet ook nog goed dat moeder zelf
kroketten maakte van heerlijke kalfsragout, toastjes met rode zalm en al dat
soort lekkernijen. Op deze foto zitten tante Annie Evers-Bekaert en
moeder na te genieten van een dezer heerlijkheden.
Oom Cor en tante Ada Scheper kwamen
zondags ook geregeld op koffiebezoek. Ik vond het altijd reuze gezellig. We
maakten veel lol met elkaar.
Op deze foto uit 1952
ziet u mij samen met mijn nichtjes Ineke en Elly Scheper op de bank in de
serre.
Op mijn 8e verjaardag kreeg ik een mooie spiksplinternieuwe donkerrode fiets
waarmee me even daarna in de Prinsestraat iets vreselijks overkwam.
Ik botste daar op een mooie zondagmiddag met losse handen fietsend, fluitend
en achteromkijkend, pardoes tegen de Austin Cambridge van tandarts Lomars. De
auto had geen schrammetje maar mijn fiets was volkomen onbruikbaar omdat de het frame helemaal
krom gebogen was.
Ik deed me in de broek als ik aan de reactie van mijn moeder dacht omdat ik
wist dat ze met veel moeite het geld bij elkaar geschraapt hadden voor
zo'n groot cadeau. Maar ook dit liep gelukkig met een sisser af: vader kon de
fiets weer laten repareren bij smid Arends aan de Alsteedsestraat.
Bij deze smederij Arends heeft zich in september 1949 een ernstig
bedrijfsongeval voorgedaan.
Bij laswerkzaamheden aan de loop van een kanon vond er een enorme explosie
plaats waarbij de smid en zijn zoon ernstig gewond raakten. Oorzaak van dit
ongeval was een zich nog in de loop van het luchtafweergeschut bevindende
granaat. Op deze foto ziet u de uiteengereten loop met op veilige afstand een
aantal toeschouwers.
Vader weer aan de slag.
Vader was na de oorlog weer op bescheiden schaal begonnen met z'n groothandel
in groenten en fruit. Hij had van de schade-enquêtecommissie een paar duizend
gulden ontvangen voor de geleden oorlogsschade en gebruikte dit als
startkapitaal. Als pakhuis had hij een gedeelte van het niet meer als zodanig
in gebruik zijnde Station Noord aan de Hengelosestraat in Enschede. Ik plaats
hier een foto van dit Lokaal Spoorweg Station waar je
tot het jaar 1937 per trein naar Ahaus (D), naar Oldenzaal of naar Neede kon
reizen.
Vader had het rechter gedeelte gehuurd. Op de foto zie je rechts nog net een
gedeelte van het belastingkantoor zoals het nu nog bestaat. De zaken gingen
echter niet zo goed. Vader miste de ondersteuning uit Hengelo, waarvandaan
hij altijd de zuidvruchten had betrokken.
Het ontbrak vader aan logistieke - en commerciële kennis om deze toch wel
noodzakelijke zuidvruchtenhandel op te zetten.
Hij betrok z'n handel van de veiling Zwolle, waar uitsluitend Nederlandse
groente en fruit werden geveild. Als transportmiddel kreeg vader na de oorlog
een oude Renault vrachtwagen toegewezen door de autoriteiten.
Hij had een boekhouder, ene E. in dienst, die volgens moeder de zaak
fleste.
Ook was er een chauffeur, Jan O. die een zwarte dop voor een van z'n ogen had
en de bestellingen naar de klanten bracht.
Het ging bergafwaarts met de zaak. Vader bracht naar moeders idee veel te
veel tijd kaartend door in de koffie kiosk van Fije alwaar hij op z'n klanten
wachtte. Toch heb ik de indruk dat ook moeder veel eerder het heft in handen
had moeten nemen en vader niet had moeten laten aansukkelen. Ik denk hierbij
aan het dienstmeisje Hilly en later mevrouw Schreur de werkster die toch ook
moesten worden uitbetaald. Moeder vertoefde menige mooie zomerdag samen met
mij op Bad Boekelo, terwijl ze zich toch ook verdienstelijk had kunnen maken
in de zaak. Hier plaats ik een foto die gemaakt is in 1950 en waar ik breed
grijnzend opsta met achter me m'n moeder in het wit. De rest van het
gezelschap zijn vermoedelijk enige leden van de zwemclub EZC. Zo voor het oog
van het Enschedese volk was er nog niets aan de hand in huize Assink. Er werd
in deze naoorlogse jaren nog steeds met volle teugen genoten van de herwonnen
vrijheid. De euforie die er na de bevrijding heerste was weliswaar wat weggeëbd
maar niets weerhield moeder ervan te blijven genieten van het leven, zoals ze
het immers gewend was geweest voor de oorlog.
Ze wou gelukkig zijn.
Ik heb het gevoel dat vader de indruk wekte dat er voldoende geld werd
verdiend en dat niemand zich zorgen behoefde te maken.
En niemand maakte zich dan ook zorgen tot aan de dag dat er
liquiditeitsproblemen ontstonden. Het mooie leventje was voorbij en dat was
vooral voor moeder een hard gelag.
En weekje kamperen bij het Lutterzand.
In de zomer van 1950 gingen
we samen met oom Bertus en tante Annie Evers en mijn neef Bertie en de
nichtjes Rita en Anneke kamperen op het weiland van boer Nolten aan het
riviertje de Dinkel.
De tent waarin we sliepen bestond uit op elkaar gestapelde groentekisten die
aan de buitenkant dienst deden als afscherming en aan de binnenzijde werden
gebruikt als opbergvakken. Lange latten hielden hielden de hele boel in
fatsoen en als dakbedekking diende een groot dekzeil.
In dit provisorische onderkomen werd gekookt en geslapen.
Vader kwam ’s avonds met z’n Renauld vrachtwagen van Enschede naar dit
vakantieadres gereden waar de warme hap dan al op hem stond te wachten.
Ik herinner me dat
moeder en tante Annie op een morgen bij de slager in de Lutte een mooi stuk vlees
hadden gekocht dat ’s middags door de hond van boer Nolten uit onze tent werd
geroofd. Wat waren we kwaad op die rover!
Geen vlees bij het avondeten dus…
Naar de huidige maatstaven gemeten ontbrak het ons toen aan enige vorm
van luxe, maar het was een
onvergetelijke heerlijke vakantie.
We zwierven urenlang door de bossen van het Lutterzand, bouwden dammen in de
Dinkel, klommen in bomen en groeven gaten in de zandwallen van de ‘Greun'n
Stet’ waarvoor we dan flink op ons donder kregen van onze moeders. 
‘s Avonds zaten
onze ouders bij het kampvuur waar dan sterke verhalen en de laatste moppen
werden verteld die dan lachsalvo’s tot gevolg hadden.
Tante Annie wilde op een avond de kampeerders de schrik op het lijf jagen
door zich te verkleden als spook. Ze had haar kunstgebit uit de mond gedaan
en een wit laken omgeslagen en terwijl ze haar gezicht van onder het laken
met een zaklantaarn bescheen, probeerde ze haar ‘slachtoffers’ de stuipen op
het lijf te jagen.
Deze act was een groot succes, helemaal toen ze na afloop van de act bij alle
kampeerders met een tandenloze mond aanklopte met de vraag of ze ook
toevallig een kunstgebit hadden gevonden. Dit had grote hilariteit tot
gevolg. Een dag later vond ze haar “valse tanden” terug. Gelukkig maar.
De magere jaren.
Moeder was genoodzaakt kostgangers in huis te nemen aan de Emmastraat. Ik
meen me te herinneren dat we rond 1950 zelfs drie kostgangers hadden die
allen studeerden aan de Hogere Textielschool in Enschede. Dit waren twee
Javaanse jongens van Chinese afkomst en een Nederlandse jongen. Ik sliep niet
meer in mijn slaapkamer op de eerste verdieping, maar bij m'n ouders in de
glazen serre die in de tuin achter de woonkamer was gebouwd. Op de foto sta ik als ca 5 jarige Cowboy verkleed
compleet met lasso en revolver in de tuin. In deze tijd was ik ook vaak ziek.
Ik had geregeld last van netelroos (galbulten) en bovendien leed ik aan
astmatische bronchitis. Gelukkig verdwenen deze kwalen toen ik een jaar of
dertien was.
Achteraf denk ik wel eens dat deze kwalen een psychosomatische oorzaak
hadden. Indirect kreeg ik immers een flinke portie van alle spanningen en
problemen mee die thuis waren ontstaan.
Ik heb als klein ventje heel wat crisissituaties meegemaakt.
Naar school.
In 1948 moest ik voor het eerst naar school. Dit werd de Tweede Prinsenschool van de heer Elling aan
de Prinsenstraat, naast de Synagoge. Mooi dichtbij ons huis: het was nog geen
drie minuten lopen.
Het was een school die goed bekend stond in de stad.
Ik heb er dan ook heel wat basiskennis opgestoken, maar terugblikkend was het
toch geen fijne tijd.
Ik herinner me bijvoorbeeld, dat ik eens moest nablijven omdat ik mijn
taalgebruik niet netjes genoeg was geweest. Ik had "hartstikke"
gezegd, en dat was ongepast vond juffrouw Goudriaan van de tweede klas.
Op deze school hing het regiem als dat van een ouderwetse kostschool.
Bronchitis en galbulten waren oorzaak dat moeder me vaak ziek moest melden op
school. Ik weet nog goed dat vooral de nachten afschuwelijk lang waren als ik
piepend met een dichtgedrukte luchtpijp in bed lag. Ook die galbulten waren
erg vervelend. Je wist dat je er niet aan mocht krabben want het vocht dat er
dan uitkwam was erg besmettelijk en veroorzaakte dan op andere plaatsen weer
nieuwe uitbarstingen. Eraf blijven lukte je niet omdat de jeuk niet om uit te
houden was.
Maar zoals eerder gezegd, verdwenen deze klachten toen ik wat ouder werd.
Oma Jeltje Evers-Camstra
Zeer geregeld ging mijn moeder bij oma Evers aan de Hengelosestraat 59 op
bezoek. Ik moest dan uiteraard mee. Ik schat dat het vanuit de Emmastraat een
half uur lopen was en we moesten dan altijd door de Prinsessentunnel, waar ik
me dan als klein ventje steevast achter een der grote pilaren verstopte voor
mijn moeder die dan deed alsof ze me niet zag. Bij oma speelde ik dan op
straat, of als het slecht weer was, op de grote zolder. Vaak kwam oma bij ons
een kopje thee drinken en ik herinner me dat ze zich nogal bezig hield met
het veranderen van haar hoedjes. Ze kwam dan lopend naar de Emmastraat en
later naar zelfs naar de Weth. Haantjesstraat op het Ribbelt.
Een gezegde van haar was als ze weer eens een hoedje had veranderd:
"Liena (zo noemde ze moeder), hoe vi'j mie dit heutke dan
stoan?"
Ze deed dan voorkomen alsof ze een nieuw hoedje had gekocht.
En dan hadden moeder en ik schik omdat we wel wisten dat het 't zelfde hoedje
was van die keer ervoor dat ze ook al veranderd had. Heel dikwijls waren bij
oma ook tantes van mij op bezoek met neefjes of nichtjes. Dat was altijd een
gezellige boel. Oma had altijd tumtum snoepjes in huis, die er bij ons
kinderen best in gingen. Oma's huis stond waar nu het hoge flatgebouw
"de Eendracht 2000" staat, aan de achterzijde van het station. Ze
woonde dus schuin tegenover het huidige garagebedrijf van Kokkeler.
Oma overleed aan longembolie na een kleine operatie in ziekenhuis
"Ziekenzorg" op 19 november 1957 op 74 jarige leeftijd.
Op deze foto ziet u v.l.n.r. tante Ada Scheper met
op haar schoot nichtje Elly en rechts oma Evers met op schoot nichtje Ineke.
Donkere wolken pakten zich echter samen
boven de Emmastraat 123.
Vader was genoodzaakt de grossierderij
aan de kant te doen omdat er verlies werd geleden.
Hij trad in dienst als
vrachtwagenchauffeur bij het groente exportbedrijf van de Gebroeders Vlam dat
gevestigd was aan de Boddenkampstraat in Enschede. Het was gesitueerd naast
de verpakkingsgroothandel "Twepa" van de familie Snuverink.
Het was voor vader een pijnlijke
degradatie nu hij moest werken voor bazen die zich in de oorlog niet
bijzonder vaderlandslievend hadden gedragen en hierdoor in Enschede een
slechte reputatie hadden.
Hij bracht vrachten groente weg naar de
Grossmarkten in Osnabruck, Bielefeld, Essen en veel andere grote steden in
Duitsland.
Ik mocht als kleine jongen wel eens met
hem mee en herinner me die platgebombardeerde steden van na de oorlog nog
goed.
Een woning voor ons zelf!
Moeder probeerde bij de afdeling
volkshuisvesting in het Enschedese stadhuis met al haar overtuigingskracht de
toenmalige wethouder Vunderink te bewegen een nieuwbouwwoning toe te wijzen
aan ons gezin omdat het met twee gezinnen in een huis leven een op den duur
zenuwslopende bedoeling ging worden.
In 1953 was het haar dan toch gelukt! We
kregen in het jaar van de grote watersnoodramp in Zeeland, westelijk Noord
Brabant en Zuid-Holland een flat toegewezen aan de Weth. Haantjesstraat
nummer 58 gelegen in de stadswijk 't Ribbelt.
Stel je voor, een moderne flat met in de
keuken een warmwater geiser, een aparte douche met hierin een ingebouwd lavet!
Dit was voor ons een ongekende luxe als je je beseft dat aan de Emmastraat
mijn wekelijkse grote wasbeurt altijd nog in een zinken teiltje in de keuken
had plaatsgevonden, en er door ons kleine gezinnetje toilet gemaakt werd aan
het granieten aanrecht. Het huis had op de eerste etage overigens wel een
badkamer, maar deze was door de huiseigenaar omgebouwd tot keuken.
Ik herinner me dat we in het voorjaar
van 1953 in afwachting van het gereedkomen van ons nieuwe huis een paar weken
bij tante Ada en oom Cor Scheper aan de Min. Dr. de Visserstraat in de
kost zijn geweest. We sliepen daar met ons drieën op zolder. Ik vermoed dat
dit gedwongen verblijf veroorzaakt werd door een te late oplevering van ons
flatje.
Op een zonnige woensdagmiddag maakten we
tijdens dit verblijf nog een hachelijk avontuur mee.
Samen met moeder, tante Ada en mijn nichtjes Ineke en Elly Scheper en nichtje
Hanneke Evers maakten we een wandeling via de Drienerweg naar het
Horstlinde.
Via de Witbreuksweg liepen we weer naar huis, en namen hier een kijkje in een
grote zandafgraving. Hier werden spaarbekkens gegraven voor de
drinkwatervoorziening van de stad Enschede.
Het gele zand dat hierbij vrijkwam werd gebruikt voor de aanleg van nieuwe startbanen
op het Vliegveld Twente.
Beide moeders hadden zich in het
Lentezonnetje neergevleid, en wij lummelden wat rond.
Op een gegeven ogenblik hoorden we een
eind verderop hulpgeroep. Moeder en tante Ada bedachten zich geen ogenblik en
renden er naar toe. Wij er achteraan!
Er stonden een paar jongens van mijn
eigen leeftijd huilend en schreeuwend te beduiden dat hun vriendje onder het
zand lag. Ze hadden waarschijnlijk een hol in een van de hoge zandwanden
gegraven en waren erin gekropen. Toen de wand instortte hadden zij zich
kunnen redden, maar hun vriendje Gerrit Stinissen lag op die plek nog ergens
bedolven onder het zand…
De beide zusters
groeven op de aangewezen plek als bezetenen in het zware gele zand, en
minuten leken wel uren te duren. Op een gegeven ogenblik schreeuwde moeder
dat ze wat voelde op ongeveer een halve armlengte diep. Met ons allen hebben
we hem toen uitgegraven. De jongen was lijkbleek en kon geen woord
uitbrengen.
Beide moeders die
trilden van emotie, probeerden de jongen op z'n gemak te stellen.
Tante Ada heeft Gerrit
later op de middag achter op de fiets naar zijn hevig geschrokken ouders aan
de Bentrotstraat gebracht. Wat een spannende middag hadden we beleefd! We
hebben er nog vaak aan terug gedacht.
*
Na een oproep in de TC Tubantia organiseerde Gerrit Stinissen in september
2003 een reünie vanwege het feit dat hij vijftig jaar geleden gered werd, en
waar met uitzondering van beide moeders, alle betrokkenen aanwezig waren. Ik trof daar tot m'n verbazing mijn
oud-buurman Diederik Kesler.
Diederik bleek een van de jongetjes te zijn die betrokken was bij dit
ongeluk. Hij werd bij deze instorting door het zand bedolven maar kon
gelukkig zijn hoofd vrijhouden. Hij vertelde dat hij nog lange tijd last
heeft gehad van deze traumatische gebeurtenis. Ook herinnerde hij zich
dat dat de beide dames flink gemopperd hadden over hun kapotte
nylonkousen....
Kostgangers
Ik moest voortaan dus op de fiets naar school. Deze flat, drie hoog, zonder
lift, was gelegen op de hoek van de Dotterbloemstraat. De wekelijkse huur
bedroeg Hf.12,- en werd de eerste jaren iedere week door een medewerker van
de bouwvereniging (een man met een leren geldtas voor z'n buik) opgehaald.
Dit lijkt nu een schijntje, maar ik herinner me nog heel goed dat moeder soms
moest krabben om dit bedrag bijeen te krijgen. Eindelijk hadden we weer een
beetje privacy. Hoewel, ook in dit kleine flatje was het budget zo klein dat
neveninkomsten van een kostganger onontbeerlijk waren. De kostganger die
meeverhuisde van de Emmastraat naar de Weth. Haantjesstraat was Kees van
Barneveld, die een opleiding fotografie volgde aan de AKI in Enschede. Deze
Kees van Barneveld kreeg na z'n eindexamen een baan bij reclamebureau
"De Zuil". Nadien is hij nog lang actief geweest als PR man van de
Twentse Schouwburg in Enschede. Als laatste kostganger hadden we de
boekhouder van de Gebroeders Vlam in huis.
Deze Johan ter Laak uit Oldenzaal had een eigen luxe Auto! Een Peugeot 203
Berline met zo'n lange smalle motorkap. Hij vrijde met een meisje uit de
Hyacintstraat, de toenmalig landelijk bekende hardloopster Ine Spijk.
Roberskom
De eerste zomer aan de Wethouder Haantjesstraat was voor mij een groot
avontuur. Er woonden in de nieuwe buurt veel jongens en meisjes van mijn
leeftijd en er werd toen wij er al woonden, nog druk gebouwd door een aantal
bouwbedrijven. De vierhoog flat aan de Dotterbloemstraat stond nog in de
steigers. Onze buurt was een grote bouwplaats.
Overal lagen steigerplanken en ander bouwmateriaal (onafgeschermd) waar wij
grote vlotten van bouwden en hiermee voeren op het toen nog op sommige
plaatsen vijftien meter diepe kleigat "de Roberskom".
's Winters was het ook feest in de buurt! Op deze foto ziet u hoe we ons vermaakten op
Roberskom.
Ik heb hier ook leren schaatsen op een paar veel te grote Friese doorlopers,
een schenking van oom Jan Stroeve.
Als je met deze schaatsen beentje-over wilde, brak je bijna je nek door die
gebogen punten met een stalen knoppen voorop.
Een jaar later kreeg ik echter voor Sinterklaas een paar moderne Friese
doorlopers zonder gebogen punten waar ik wel mee uit de voeten kon.
Ook vermaakten we ons prima als er een pak sneeuw lag. Dan gleden we met onze
sleetjes van de hellingen naar beneden.
Dat ging dan met hoge snelheid, want de helling uiterst rechts op de foto was
de eerste paar jaar dat we er woonden vele malen steiler. Als je dan geluk
had, kwam je soms wel met je sleetje tot aan de andere kant van de bevroren
vijver. En dan was je kampioen!
Enkele jaren later werd het voormalige kleigat gedeeltelijk gedempt en de
schuine helling aan de kant van de Weth. Haantjesstraat geëgaliseerd.
In het linkse flatgebouw op de vorige foto woonden we links bovenin.
De meeste flatgebouwen in Enschede hadden toen geen liftinstallatie en dat
moet met name voor de kolenhandelaren een kwelling zijn geweest.
Ik zie deze mannen, die er vaak uitzagen als Zwarte Pieten, nog puffend
en zwetend bij ons naar boven sjouwen met de zware jutezakken vol kolen op de
rug die dan geleegd werden in de kolenkist op het balkonnetje.
Bij ons kwam de chauffeur van kolenhandelaar Goldschmidt die van moeder
altijd als troost een fooitje voor de verloren zweetdruppeltjes kreeg.
Centrale verwarming was toen nog een te grote luxe, en een Arbowetgeving
bestond toen ook nog niet...
Ik sliep op de zolder
waar vader met hulp van oom Cor Scheper een kamertje had afgetimmerd van
panlatten die werden bespannen met jute. Hierover werd dan kranten en daarna
behang geplakt. Het was er 's winters bijna even koud was als in de
buitenlucht. Het vroor in die jaren 's winters vaak vele nachten achtereen
streng tot zeer streng! Ik sliep dan onder wel vijf dekens en had dan door
moeder gemaakte slaapsokken aan die van oude dekens waren gemaakt. Ook kreeg
ik dan met heet water gevulde Grolsch beugelflesjes in bed die dan als
warmwaterkruik dienst deden. En zo kwam Gerrit Jan Splinter dan door de
winter…
's Zomers was het op zolder soms gloeiend heet als de zon de hele dag op het
dak had staan bakken. Een flink pak isolatiemateriaal en een betere
luchtverversing had uitkomst kunnen bieden. Maar over het isoleren van
woningen maakte men zich in die jaren niet druk. Het enige wat toen telde was
kwantiteit. Er was na de oorlog immers een gigantisch woningtekort
ontstaan…
Omdat we in die jaren geen koelkast
hadden (dat was in die jaren nog een grote luxe), moest ik wel eens van
moeder op de fiets naar de Grolsch brouwerij aan de Brouwerijstraat om voor
een kwartje een groot blok ijs te kopen.
Het blok ijs werd dan in een teil werd gelegd, er ging een doek overheen, en
dit dan diende als "ijskast".
Duimen.
Ook had ik in deze periode nog te maken met een grote schaamte. Ik duimde nog
steeds. Ik kon het niet laten met m'n duim in de mond te zitten met onder m'n
neus de heerlijke geur van het stinklaken, zoals ik het stukje laken noemde
dat mijn moeder me periodiek in de handen drukte als het gebruikte laken al
te zeer begon te stinken. Toen Kees van Barneveld er later in1955 een foto
van maakte, werd ik er op een hele doeltreffende wijze mee geconfronteerd:
het resultaat was dat het duimen van de ene op de andere dag was afgelopen.
Ik plaats hier deze foto waarop te
zien is dat ik kort geleden nog hinder van netelroos had gehad, gezien de
korstjes hoofd en handen. Ik las hier een strip van Kapitein Rob, waar ik in
die periode verzot op was.
KUREAS
In 1954 kreeg mijn vader kennis aan een
zekere Reijso, een zoon van de in Enschede aan de Deurnigerstraat wonende
agent van Volvo Vrachtwagen. Vader had hem verteld dat hij wel graag weer
voor zichzelf wilde beginnen maar dat het hem ontbrak aan middelen om een
nieuwe vrachtwagen aan te schaffen. Alle beschikbare vergunningen had vader
immers in z'n bezit en in Duitsland lag het geld voor het oprapen.
Er moest dus iemand worden gevonden die de voorfinanciering kon regelen voor
een nieuwe vrachtwagen. Reijso wist wel iemand. Ene Piet Kuitert, de slager
van de Malangstraat op het Hogeland was wel bereid geld te steken in deze nog
op te richten firma.
Een firmanaam werd ook gauw bedacht. Als KUREAS werd deze nieuwe firma
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Een prachtige lichtblauwe Volvo
vrachtwagen werd gekocht maar al gauw bleek deze Reijso een grote boef en
avonturier te zijn. Van zaken doen in Duitsland kwam helemaal niets terecht.
Reijso hield zich voornamelijk bezig met de jacht op vrouwen in plaats van op
klanten. Vader had zich beter niet in dit avontuur kunnen storten. Ik weet me
te herinneren dat er in die tijd grote spanningen waren in ons gezin. Er werd
toen ook armoe geleden. Vader heeft zich een week of acht nadat ze in het
bezit waren van de vrachtwagen uit deze firma teruggetrokken en zat dus
zonder werk en enige inkomsten.
Via een kennis heeft vader toen nog een baantje als vrachtwagenchauffeur
gehad bij de bouwmaterialen - en betonhandel van Gerretsen in Lonneker.
Dit betekende dat vader op vijftigjarige leeftijd zeer zware arbeid moest
verrichten om aan de kost te komen. Hij moest de hele dag zware betonblokken
laden en lossen zonder enige hulp van machines.
Moeder heeft in die tijd ook nog thuiswerk verricht. Ik geloof voor een
confectie atelier.
Ze vonden het verschrikkelijk. Maar wat moesten ze anders, vader had toch
niet de kennis om een ander baantje aan te nemen, althans geen baantje waar
z'n botten het wat minder zwaar te verduren hadden.
Stel je mijn vader eens voor, een stille introverte man, die in weelde was
opgegroeid in Hengelo en nu door toedoen van die rot oorlog gedwongen was een
slecht betaald baantje aan te nemen.
Dit was een afschuwelijke situatie bij ons thuis en een periode in mijn leven
waar ik eigenlijk liever niet aan terugdenk.
Weer een eigen zaak!
Nog steeds hadden vader en moeder contacten met Harm Koeneman uit Sappemeer
die ook wel zag dat het met vader op deze manier bergafwaarts ging. Hij was
degene die vader in 1955 een paar duizend gulden leende om hiervoor een
tweedehands vrachtauto te kopen en weer opnieuw te beginnen, maar nu
uitsluitend met een groothandel in binnenlands fruit. Vader kocht zich een
tweedehands vrachtwagentje van het
merk Bedford dat eerder dienst had gedaan bij de drankenhandel van Keizer in
Enschede. Deze gele (coca-cola Kleur) Bedford vrachtwagen had een open
laadbak en werd door vader op het parkeerplaatsje op de hoek van de Wethouder
Haantjesstraat en de Dotterbloemstraat met een kwast prachtig
overgeschilderd. Ik herinner me nog dat vader weer voor het eerst naar de
veiling in Elst was geweest waar de commissionair Jo van der Linden hem een
lading fruit kocht, die dan zo snel mogelijk in Hengelo en Enschede uitgevent
moest worden bij de groentewinkels en comestibles winkels. Het was zaak 's
zomers met de primeurs als eerste bij de klanten te zijn. De eerste rit
draaide overigens uit op een fiasco omdat vader zich vergist had bij het
vaststellen van de verkoopsprijzen. Vader begon in Hengelo bij Diederik van
Noort z'n fruit te verkopen. Vervolgens bezocht hij mevrouw Jo van Tongeren
die een comestibles winkel had in de Molenstraat. Ook werden op Klein Driene
nog even de groenteboer Jan van de Vegt, Jitze de Groot van de
Enschedesestraat en in de Drienerstraat Evert Fransen bezocht voor dat het
grote werk in Enschede begon.
Ik maak van een aantal groente - en comestibles winkels in Enschede waar
vader die eerste jaren aanging met z'n Bedfordje vol Betuws fruit een lijst,
eigenlijk om zelf nog eens even stil te staan bij deze periode.
Ongetwijfeld heb ik er een aantal over het hoofd gezien, maar de volgende
namen herinner ik me nog:
Achterhuis, Jan Dapper, Haasjes,
v.d.Struik, Evert Timmermans, Johan Assink, Willy van Dijk, Cobie Huisman,
Prenger, Frans Welmers, Albert Bargerman, Teun Erdman, Broer Huisman,
Nellestein, Willem vd Wetering, H. vd Berg, Bernard Farwick, Nijhof Lonneker,
Arent Overduin, Van Son, Johan Hurrelbrink, Roelof de Jong, Schaddé, Willem
Wevers, Bertus Bijkerk, Henny Fölkner, Michiel Kanon, Henk Scholten, Henny de
Wit, H. Bor, Herman Grefte, Jan Kijl, Corrie Slotboom, Tonny Rouwenhorst, J.
Bor, Geert Guigelaar, Gé Meijerman, Sonneveld, Jaap Regeling.
Als vader dan "los" was van z'n handel en terugkwam naar huis was
het zijn gewoonte op de Floraparkstraat al beginnen te claxonneren ten teken
van : Lien zet de aardappels maar vast op. Deze Bedford had overigens geen
ordinaire claxon maar een prachtige tweetonige hoorn. In de Irisstraat huurde
vader later een grote garage van z'n achterneef Johan Assink, die samen met
z'n broer Jan een groentezaak hadden aan de Oosterstraat in Enschede. Deze
garage werd als opslagruimte gebruikt voor het fruit. Johan Assink had zich
aan de Irisstraat een woonhuis met garage laten bouwen en verhuurde deze voor
onbepaalde tijd aan mijn vader. Ik heb hier in mijn jeugd heel wat uren
doorgebracht om een zakcentje te verdienen met het laden en lossen van fruit.
Vader maakte 's zomers in het hoogseizoen werkdagen van wel 16 uur en ik heb
hem nooit horen klagen. Hij leefde weer op, maar de financiële toestand bleef
zorgelijk. Er werd niet voldoende winst gemaakt. Durfde vader geen winst te
maken of liet de markt het niet toe? Of was vader niet brutaal genoeg? Allemaal
vragen die achteraf moeilijk te beantwoorden zijn.
Mijn puberjaren waren aangebroken.
Op mijn twaalfde verjaardag kreeg ik echte HUDORA rolschaatsen cadeau
van mijn vader en moeder en wel met grote wielen. Dat was het cadeau van de
eeuw! Iedereen had wel rolschaatsen, maar Hudora's met grote wielen dat was
het absolute summum. Tjonge, wat was ik er blij mee!
We rolschaatsten hiermee eind 1956 op
autovrije zondagen op de geasfalteerde Hengelosestraat naar Hengelo en weer
terug. Iets bijzonders. Normaal was dit niet mogelijk vanwege het verkeer.
Deze autoloze zondagen werden overigens veroorzaakt door een gewapend
conflict tussen Egypte en de bondgenoten Israël, Frankrijk en Engeland.
President Nasser van Egypte liet het Suez-kanaal blokkeren met scheepswrakken
toen hij aan de verliezende hand was tegen de drie bondgenoten. Dit had
een stagnatie van de olietoevoer tot gevolg.
Deze autoloze zondagen hadden echter niet het verwachte brandstofbesparende
effect omdat men al op zaterdag ging rijden om dan op zondagavond laat weer
naar huis terug te keren.
Televisie hadden we nog niet in 1956. We
hadden radiodistributie. Daarmee kon je een beperkt aantal zenders zonder
storing beluisteren: Hilversum I en Hilversum II, en afwisselend
de BBC, de West Deutsche Rundfunk en de Belgische radioomroep.
Ik luisterde vaak naar de Skymasters, de Ramblers, Edmundo Ross met z'n
Zuid-Amerikaanse rumba orkest, Peggy Lee, Bing Crosby, Eddy Christiani, Conny
Francis en niet te vergeten Freddy Quinn met z'n Heimat liedjes.
Allemaal romantiek hoorde je uit de luidsprekers komen in het jaar 1956.
Links ziet u de standaard luidspreker en de zenderkeuzeschakelaar van de
radiodistributie waar al het luistergenot mee te selecteren viel. Lekker
simpel hè?
Na schooltijd gingen we de boer op,
schoten dan met onze katapult op wilde zwijnen die we meenden te zien in
de donkere bossen van het Hoge Boekel en waren allemaal verliefd op hetzelfde
meisje, Erica Boll uit de Goudsbloemstraat.
Toen ik dertien jaar was, was Erica zestien. Ze werd door veel jongens
uit de buurt stiekem aanbeden. Als eerste van alle buurtmeisjes had
Erica een paar echte borsten waarmee ze pronkte door 's zomers laag
uitgesneden blouses te dragen.
Dit was ook de tijd dat de meisjes rokken met daaronder petticoats droegen
die de rokken wijd lieten uitstaan.
Na Doris Day was Erica Boll het mooiste meisje van de wereld. Als je
geluk had zei ze "Hoi" tegen je als je ze tegenkwam. En dan
kon je dag niet meer kapot!
Maar ze was en ze bleef onbereikbaar voor ons omdat ze steeds in het
gezelschap van grote jongens van zeventien of achttien jaar verkeerde.
We spaarden in die tijd plaatjes van filmsterren die je bij de kauwgum kreeg,
hadden een soort kaartspel ontwikkeld met lege sigarettendoosjes, speelden
verstoppertje en diefje met verlos.
Een minder prettige herinnering is dat ik altijd voor moeder boodschappen
moest halen bij de kruidenierswinkels van de Spar of de COÖP aan de Ribbelerbrinkstraat.
Dit waren in de vijftiger jaren nog geen
zelfbedieningszaken. Je stond dan wel eens een half uur op je beurt te
wachten voor een enkel pakje Planta margarine.
Moeder vertikte het om zelf boodschappen te gaan halen. Ik geloof dat ze
hiervoor de zelfde argumenten aanvoerde als mijn oma Assink, zoals ik dit
eerder omschreef in deze kroniek.
Ik ging inmiddels naar de ULO en leerde in die tijd Bob Oosterveld kennen die
zich gewoonlijk bezig hield met het experimenteren met chemicaliën waarvan hij
Bengaals vuur maakte of knalvuurwerk. Zeer interessant natuurlijk voor
aspirant pubers als wij.
In 1956 begon ook in Nederland de Rock
& Roll z'n intrede te doen. Jerry Lee Lewis, Little Richard, Bill Hayley
en Elvis Presley waren nu te beluisteren. We luisterden dan vrijdagsavonds zo
tegen een uur of zes naar de WDR waar Chris Howland, een Engelsman die met
een zwaar Engels accent in 't Duits de internationale hitparade presenteerde,
en deze dan afsloot met "Dass war's denn wieder liebe Freunde boing, boing,
schöne grüsse vom Heinrch Pompernickel (zo noemde hij zichzelf) und bis
nächste Woche…" Dat "boing boing" was zoiets bijzonders op het
serieuze medium radio dat iedereen zich steeds weer kapot lachte om de rare
fratsen van die man.
We zijn in dat jaar 1956 ook met aantal buurtgenootjes naar de eerste Rock
& Roll film geweest, waar Bill Hayley and his Comets en Little Richard in
optraden: "Rock around the Clock".
In het westen van het land braken "nozems" hele bioscoopzalen af na
het zien van deze film, maar in het City Theater in Enschede bleef het
rustig. Gelukkig maar, want we vonden het best wel een beetje eng.
Dit was eigenlijk het begin van de periode dat de jeugd zich begon af te
zetten tegen de gevestigde orde. Jongens en meisjes liepen rond met fel gele,
flitsend rode of knalgroene sokken, om te laten zien dat ze zich niet meer
wilden scharen onder de conventionele meute. Rock & Roll sokken werden
die genoemd. Ook zijn we een paar maanden later met z'n allen naar de film
"High Society" geweest. Hier speelde Grace Kelly, Bing Crosby,
Frank Sinatra en Louis Armstrong in mee. De song "True Love" werd
hierin gezongen door Grace Kelly en Bing Crosby. Romantische tijd was
dat!
Zwaar werk.
Zoals ik al schreef moest ik na
schooltijd vader vaak helpen met het laden en lossen van fruit. Dat was zwaar
werk. Een kist appelen woog toentertijd inclusief verpakking 25kg en de peren
30kg en geld voor het kopen van een steekwagen was er niet. Alles werd met de
hand gelost en geladen. Toen ik wat meer uit de kluiten begon te wassen,
werden er soms drie kisten op elkaar gestapeld waar ik dan mee liep te
sjouwen. Hierdoor heb ik ongetwijfeld m'n slechte rug opgelopen. Later kreeg
vader hulp van Harry Slottje uit de Goudsbloemstraat die vader na schooltijd,
en later als vast personeelslid assisteerde. Later toen Harry ging werken als
chauffeur bij de firma Eggers, een exportfirma in groente en fruit uit de
Molenstraat in Enschede, werd vader geholpen door Henkie Slottje, de jongere
broer van Harry.
Aardige jongens waren het.
Vervolgens werd dit werk overgenomen door Jantje Meesters. Jan kwam uit een
gezin van zes kinderen en woonde in ons trappenhuis op de benedenetage. Ook
aan Jan Meesters heb ik goede herinneringen omdat deze jongen net als die
jongens van Slottje harde werkers waren. Voor mij werd het leven toen wat
gemakkelijker. Ik kon me ook wat beter met m'n studie bezig houden, hetgeen
broodnodig was, gelet op mijn toenmalige matige resultaten op school.
Ik ging in de schoolvakanties wel vaak mee naar de veiling in Elst.
In het hoogseizoen (de pruimentijd) in de maand augustus stonden we dan 's
morgens al om vier uur op en kwamen dan soms 's avonds om tien uur pas weer
thuis. Toch denk ik aan deze tijd soms met weemoed terug waarschijnlijk ook
een beetje vanwege het avontuurlijke karakter. Er gebeurde altijd wel iets
spannends onderweg en ik verdiende een aardig centje met dit
vakantiewerk.
Radiotechniek.
Ik begon interesse te krijgen voor draadloze telefonie.
Het begon in die jaren met experimenten met een eenvoudige beltransformator
die ik van mijn zakgeld kocht bij de winkel van Jansen-Edison aan de voet van
de Edo Bergsmabrug op de hoek van de Oosterstraat en de Laaressingel. Ook
mijn vriendje Bob kreeg interesse in de radiotechniek en langzamerhand
begonnen we te experimenteren met zelfgebouwde kristalontvangers waar we de
steunzender bij de Kettingbrug aan de Hengelosestraat mee konden
ontvangen.
Bad Boekelo.
In deze periode bezocht ik regelmatig na schooltijd Bad Boekelo.
Dikwijls op vrije dinsdag - en donderdagmiddagen nam ik m'n huiswerk mee naar
"de zee op de heide" zoals Bad Boekelo werd genoemd vanwege het grote, met
zout water gevulde golfbad en het mooie aangrenzende wandelpark. Ik had
een jaarabonnement cadeau gekregen à Hfl 17,50 - een rib uit moeders
lijf.
Als de bok vet was en het weer stond het toe, dan kwamen mijn ouders met het
Bedford vrachtwagentje ook naar Boekelo en brachten daar de zondag door op
het grote terras.
Het was dan vaste prik dat mijn neefjes en nichtjes, die ook vaak aanwezig
waren, oom Willem en tante Lien lieten zien wat ze allemaal wel durfden in
het diepe golfbad. Ik hoor ze in gedachten nog roepen:" tante Lien, kijk
eens...".
En, als de sirene begon te loeien, dan
kwam het golfbad in beweging. Grote, door elektromotoren aangedreven
schuiven, brachten het water in beweging en dan moest je als badgast rennen
om een plaatsje te bemachtigen aan de touwen waar je de hoge golfen dan
probeerde te weerstaan.
Klik op de foto links voor een beeld van de drukte in het golfbad van Bad
Boekelo op een zonnige zondagmiddag eind vijftiger jaren .
Toen ik een jaar of tien was heb ik heb hier leren zwemmen door in het diepe
gedeelte van dit golfbad steeds een stukje verder van de kant te gaan
"zwemmen", althans wat daar voor door ging. En zo verdween
mijn angst te verdrinken.
Af en toe fungeerde vader met z'n Bedfordje ook als taxichauffeur als er
bijvoorbeeld een plotselinge weersverslechtering had plaatsgevonden. Vrienden
en bekenden vroegen dan of ze mee mochten liften naar Enschede. Hun fietsen
werden dan achterop de laadbak vastgebonden en de passagiers namen dan plaats
onder een dekzeil.
Af en toe als vader goed verdiend had aan een vrachtje, permitteerden ze zich
een chique uitje naar bijvoorbeeld hotel bad Boekelo waar ze dan in vol
ornaat acte de présence gaven, een glaasje dronken, een dansje maakten en 's
nachts weer vrolijk huiswaarts keerden in het Bedford vrachtwagentje…
Geheel in stijl dus! Alles kon in die
jaren na de oorlog.
Nu zou men zich generen voor zo'n
situatie.
"De Anna"
In 1958 was dit Bedford vrachtwagentje
te klein geworden voor de firma G.W.Assink, Groothandel in Fruit te Enschede.
Er moest dus een grotere worden gekocht. Na veel rekenen werd na overleg met
oom Jan Schekman een DAF vrachtwagen gekocht. Ik meen me te herinneren dat
hiervoor F.14000,-- betaald moest worden. Het was een prachtige grijsblauwe
truck, waar vader geweldig trots op was. Op de voorzijde van de laadbak liet
vader door carrosseriebouwer Van Berkum uit Lochem met grote letters ANNA
schilderen. Een hommage aan zijn moeder. Iedere maand moest moeder, die de
boekhouding deed, alle dubbeltjes bij elkaar schrapen om het af te lossen
bedrag te kunnen overmaken aan de financieringsmaatschappij. Vader kon nu
veel meer fruit laden en op de veiling VVOB te Elst was ANNA zoals vader daar
door het personeel genoemd werd, een welgeziene afnemer. De drukke tijd begon
altijd in juni. Dat was de aardbeientijd. Vader ging dan drie keer in de week
's morgens om vier uur op pad om dan netjes op tijd op de veiling alle kavels
te kunnen noteren. De veiling begon om 7.00 uur en als alles gladjes verliep
dan kon hij met het gekochte fruit om 10.00 uur weer op de terugtocht via de
oude weg van Arnhem naar Zutphen, en via Lochem naar Twente. Als het dan
meezat, was hij 's avonds om een uur of acht "los" (uitverkocht),
maar heel vaak als het met de verkoop tegenzat, werd het wel een uur of tien.
In de herfst verkocht vader grote vrachten goedkope peren aan klanten in
Denekamp. Deze peren werden door Duitsers gekocht voor de weck. We kochten
deze peren vaak voor de minimum prijs van 6 cent en als het meezat konden we
een kwartje beuren. Vijfentwintig kilo in een kist betekende dus een
brutowinst van HFL 4,75! Ik herinner me dat vader wel eens HFL 800,- aan dit
soort vrachtjes verdiende en dat was in die jaren erg veel geld. Maar als het
dan de volgende keer weer tegenzat werden deze slechte perenrassen zoals
maagdenperen, kraaieperen, ijsbout, jodenperen, nouveau poiteau, beurree de
merode en hoe ze ook allemaal hebben mogen heten, verkocht voor drie stuivers
per kilo. Ook nog niet slecht…. Maar zelfs met deze grotere vrachtwagen was
het over het algemeen geen vetpot. Het probleem was dat er geen financiële
reserves konden worden opgebouwd. Dit hield in dat er 's winters soms uitstel
van betaling moest worden gevraagd van de maandelijks af te lossen bedragen
aan de financieringsmaatschappij als er weer eens slecht verdiend was omdat
er geen aanvoer van fruit op de veiling was. Moeder moest dit soort problemen
oplossen hetgeen steeds weer leidde tot crisissituaties bij ons thuis. Ik
heb, zoals ik al eerder schreef, vader echter nooit horen klagen. Zijn
flegmatiek deed mij steeds weer versteld staan. Ik had wel eens het gevoel
dat hij van tevoren wist dat de toekomst er nog niet zo slecht uit zag. Een
blind vertrouwen dus.
Een van vaders uitspraken op z'n plat Hengelo’s zal ik nooit vergeten:
"t is nog nooit zo donker e'wes, of 't is wa weer licht
e'wodn"
De DAF vrachtwagen had een 80PK Perkins dieselmotor die keer op keer
problemen had met starten bij koud weer en bovendien sprongen af en toe de
hogedruk brandstofleidingen wat tot gevolg had dat de dieselolie onder de
motorkap vandaan als een nevel naar buiten kwam. Je stonk dan een uur in de
wind en moest als de sodemieter naar de dichtstbijzijnde DAF dealer om de
boel te laten repareren. Maar ook hebben veel vrienden en bekenden plezier
beleefd van deze vrachtwagen.
Scheveningen.
Lien en Willem gingen met de "ANNA" namelijk menig zomers
weekend naar Scheveningen alwaar ze de als "vakantiebungalow" ingerichte vrachtwagen
op de Boulevard parkeerden en dus slechts de straat te hoeven oversteken om
op het strand te komen. Af en toe mocht mijn nichtje Ineke Scheper met een
vriendin ook mee. Overdag lagen ze dan te bakken in de zon en 's avonds
mochten ze dansen bij Palais de Dance, een bekende uitgaansgelegenheid in het
begin van de zestiger jaren. Hier traden dan o.a. de "Tielman
Brothers" op, een bekende rockgroep van Indische Nederlanders. En,
keurig netjes kwamen de dames dan voor middernacht terug naar onze
"bungalow op wielen". De laadbak van de vrachtwagen was overigens
verdeeld in een woon - en een slaapgedeelte, netjes door een gordijn van
elkaar gescheiden. Ik kan me alleen niet meer herinneren welke oplossing ze
hadden als je een grote of kleine boodschap moest doen. Op een emmer
misschien? En waar lieten ze dan de inhoud van die emmer? Ik weet het niet
meer...
Op de foto hierboven zien we v.l.n.r. een gedeelte van Willy
Grootenhuis een vriendin van nichtje Ineke, mijn moeder, Betsie Assink,
nichtje Ineke Scheper en mijn vader uitpuffend van de klimpartij.
Ik denk dat Johan Assink, een achterneef van vader, dit kiekje geschoten
heeft.
Er sliepen dus totaal zes mensen in de laadruimte van de
vrachtwagen (!).
Wat zullen late bezoekers van deze Scheveningse parkeerplaats verwonderd
hebben geluisterd naar het harde gesnurk van mijn vader…
Maar van ieder weekend in Scheveningen werd met volle teugen genoten. Moeder
zorgde dat er op zondagochtend altijd wel iets lekkers bij de koffie was.
Befaamd waren de gemberbollen van de beroemde Haagse bakker Krul die in
Scheveningen ook een filiaal had. Op den duur werd de parkeerplaats door meer
mensen gebruikt om er te overnachten. Enkele dames van lichte zeden begonnen
hier hun beroep uit te oefenen in gammele caravans die daar waren geplaatst
en dienst deden als peeskamertje. Maatschappelijke problemen waren nu dus te
verwachten. Even later was het inderdaad niet meer toegestaan op deze
parkeerplaats te kamperen en moesten vader en moeder naar de Scheveningse binnenhaven verhuizen.
Hier hebben ze nog een aantal jaren gestaan. Later niet meer met de vrachtwagen,
maar met een FIAT bestelwagen, waar ze een zelfgemaakte tent hadden
aangebouwd.
Dansles.
Toen ik een jaar of zestien was mocht ik samen met m'n vriendjes op
zondagmiddag danslessen volgen bij de dansschool van Wim en Gerry Lammerink aan
de Spelbergsweg in Enschede. Dit was voor mij altijd een crime omdat ik er
niet veel van terechtbracht. En ik vond het altijd verschrikkelijk dat
mevrouw Gerry Lammerink mij daarom steeds uitkoos om dan met haar te dansen.
M'n maatjes stikten dan de moord van het lachen omdat deze nogal weelderig
geproportioneerde vrouw me bij bepaalde dansfiguren zo dicht tegen haar
aantrok, zodat het wel leek dat ik met mijn puistenkop tussen haar borsten
vastgeklemd zat. Ik was altijd blij als we weer konden gaan. Dat is ook de
reden dat ik nooit goed dansen heb geleerd…
Dansles was voor mij dus een min of meer
noodzakelijk kwaad. Je moest immers een beetje kunnen dansen om er bij te
horen?
Haar naam is niet blijven hangen, maar dit was dan een van mijn kalverliefdes
op dansles.
Ik zit hier als ventje van zestien met een dromerige blik (of had ik een
pilsje teveel op?) voor de zoveelste keer verliefd te wezen. Zo te zien was er van haar kant kennelijk
ook wel genegenheid want ik mocht m'n arm om haar heenslaan. Maar met
haar is 't nooit wat geworden.
Ik was heftig op zoek naar het meisje
van mijn dromen en bezocht op zaterdagavond feestjes die toen nogal eens
gehouden werden in speeltuingebouwtjes.
De ruimtes in deze kale gebouwtjes werden dan versierd met visnetten aan het
plafond en op de tafeltjes stonden met kaarsenvet gegarneerde Chianti
mandflessen waarin kaarsen zorgden voor de onontbeerlijke sfeerverlichting.
Op dit soort feestjes ontstonden voor mij talloze romances die steeds weer op
niets uitliepen. Reden hiervoor was meestal dat ik meisjes uitzocht met het
verkeerde geloof. Òf ze waren Rooms òf ze waren van Christelijk Gereformeerde
huize.
Steevast kreeg dan na een paar weken te horen dat ze het van haar ouders uit
moest maken omdat ik niet van dezelfde kerk was.
Nederland was in deze jaren na de oorlog stevig verzuild waarbij de kerken
nog grote invloed hadden op het dagelijks leven: men was er in die tijd als
de dood zo bang voor dat de mensen zich van de kerk zouden afkeren door
invloeden van buitenaf. Pastoors en dominees schreeuwden in die tijd nog hoog
van de kansel: " twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel
tussen". En bij dit credo legden de "schaapjes" zich dan
neer.
Het was toch immers zo dat meneer pastoor en de dominee de zuivere waarheid
spraken. Daar viel absoluut niets tegen in te brengen!
En dan fietste ik 's zaterdagavond, een
illusie armer, met m'n ziel onder de arm door de grauwe, slecht verlichte
straten van de fabrieksstad Enschede op weg naar het volgende feestje, in de
hoop daar de grote liefde te ontmoeten. Ik was verdorie al zeventien, en dan
wordt het toch zeker tijd dat je vastigheid krijgt met een meisje….
Een vast uitgaansdoel voor mij en m'n
vrienden van weleer waren de dansavonden op de zaterdagavond in de Schouwburg
Irene aan de Noorderhagen in Enschede. Hier speelde op de bovenverdieping de
"Cotton Town Jazzband" mijn favoriete dixieland en
bluesmuziek.
De band speelde van acht tot half twaalf als ik me goed herinner.
Als er dan ergens een feestje georganiseerd werd, en je had op dat moment
geen vriendinnetje, dan ging je daar eerst een meisje "versieren"
om dan samen met haar vervolgens dat feestje te bezoeken. Er werd dan tête à
tête gedanst, goedkope zoete wijn van de Gruijter gedronken (dit
"zuurtjeswater" koste 98 cent per fles) en aan het einde van de
avond mocht je (als ze er dan nog niet met een ander tussenuit was) haar dan,
al slingerend op de fiets, naar huis brengen.
Margriet.
En zo gingen weken en maanden voorbij.
Ik zat inmiddels in Hengelo op de UTS en had het erg druk met de
studie.
In Enschede had ik uiteindelijk toch het meisje van mijn dromen gevonden:
Margriet Huber.
Margriets ouders waren gescheiden. Ze was na de scheiding met haar moeder van
Leeuwarden naar Enschede verhuisd en woonde in het grote huis van Jacob
Bakker van de ijzerhandel aan de Perikweg. Haar moeder had daar een baan
aangenomen als huishoudster.
Haar vader woonde met haar broer in Leeuwarden. We zijn daar samen eens op
bezoek geweest.
Ik heb met Margriet zo ongeveer een half jaar gelopen, wat in die tijd toch
wel gekenmerkt werd als vaste verkering.
Maar op een gegeven moment kwam er ook aan deze verkering een eind.
Margriet maakte het uit om de een of andere duistere reden.
Ik weet nog dat ik een week lang helemaal van de kaart was van
zelfmedelijden.
Maar ze heeft me toch iets kostbaars nagelaten: aan haar heb ik namelijk te
danken dat ik van klassieke muziek ben gaan houden. We zaten nogal eens op
haar kamertje innig verliefd en hand in hand naar grammofoonplaten met walsen
van Chopin te luisteren. Het was een hele romantische tijd.
Aan het werk!
Toen de school in Hengelo er op zat, gaven mijn ouders me ter overweging of
ik toch niet liever in de zaak wilde komen. Hun argument was dat ik op de
lange duur toch meer kon verdienen dan met een baantje in de elektrotechniek.
Het was hun bedoeling dat ik dan na onbepaalde tijd de zaak zou overnemen.
Dit zou dan voor mijn ouders een
geweldige uitkomst zijn omdat ze mij dan in deze financieel moeilijke jaren
geen volledig salaris hoefden uit te betalen.
Ik accepteerde, met als belangrijkste argument de grotere vrijheid die me
geboden werd.
Zo rolde ik in de handel en ik heb hier
achteraf geen spijt van gehad omdat ik in deze branche echt de handel heb
leren kennen. De fruithandel is immers veel moeilijker dan bijvoorbeeld de
handel in manufacturen. Ik had nu dus voor de eerste keer in mijn leven een
belangrijke keus gemaakt. Op de handelsavondschool haalde ik het
noodzakelijke middenstandsdiploma.
Diensttijd.
Ik werd ingedeeld bij de Verbindingstroepen en moest opkomen in Grave bij
Nijmegen voor de rekrutenopleiding. Hier werd ons verteld dat alles wat we
moesten weten ter verdediging van het vaderland, in ons 'Handboek Soldaat'
terug te vinden was. Deze rekrutenopleiding duurde al met al twee
maanden.
Hierna verhuisde ik naar de Hojelkazerne in Utrecht voor een zes maanden
durende opleiding als radiomonteur.
Hier ziet u een foto van mij en mijn
kamergenoten (lichting 62-3) op onze kamer tijdens de kerstdagen van 1962 in
de Hojelkazerne.
Staande vlnr ziet u Boelens, Jan Veenhuizen, Peter de Vrind en Vos.
Zittend vlnr: Gerrit Jan Assink, Arie Bakker, Ben(?)van Meurs, Jan Segers en
Eddy Eggelaar.
Zo te zien zat de stemming er goed
in....
Het was een geweldige leuke tijd; we
hadden vreselijk veel lol met elkaar, maar ik moest bij gelegenheid ook flink
blokken om bij te blijven met de opleiding radiotechniek.
Ik was dan ook zeer voldaan toen ik na zes maanden deze stoomcursus met goed
gevolg had afgelegd. Ik had er flink wat geleerd dat kwam goed te pas kwam
voor m'n hobby!
Ik was technisch specialist en had me al op voorbereid op de langdurige
diensttijd van 21 maanden.
Maar op goeie dag moest ik bij onze
kapitein komen die me vertelde dat ik algehele vrijstelling van dienstplicht
kreeg vanwege onmisbaarheid in de zaak van vader. De mond viel me open
van verbazing!
Moeder had een militair tribunaal in Den Haag weten te overtuigen van mijn
onmisbaarheid in de zaak omdat vader veel last kreeg van benauwdheid.
Kon ook niet anders want vader rookte in die tijd twee pakjes Egyptische
sigaretten (Dubec) per dag.
En stinken dat die dingen deden…
Geen 21 maanden maar slechts 8 maanden had mijn diensttijd geduurd en
iedereen behalve hare majesteit de koningin was hiermee tevreden.
Ik was voor haar deze 8 maanden immers een dure kostganger geweest…
Ria Dijkstra
Ik werkte inmiddels een jaartje bij vader, deed goed mijn best op de
avondschool, haalde mijn rijbewijzen maar was intussen druk op zoek
naar 'vaste verkering', zoals dat zo mooi heette.
Maar zoals ik al eerder schreef, waren
alle mooie meisjes van het verkeerde geloof.
Toen, op 1 juni 1963 zat ik in de
schouwburg Irene aan de Noorderhagen in Enschede waar iedere zaterdagavond de
"Cotton Town Jazzband" optrad, samen met een vriend een pilsje te
drinken. Ik kende zo langzamerhand alle vaste bezoeksters, maar een paar
meter verderop zag ik een schattig gracieus meisje staan dat ik hier nooit
eerder had gezien. Ze had een lange paardenstaart en een groene ponchoachtige
blouse aan. Ze was samen met haar nichtje Ank een avondje stappen. Ze was
betoverend mooi.
"Ik heet Ria" zei ze, en ze
wilde wel een dansje met me maken.
De band speelde Up a lazy river by the old millstream, that lazy lazy
river where we both can dream, linger in the shade of an old oak
tree.....
Romantisch genoeg, maar ik weet ook nog
wat ik op dat moment dacht: "daar ga je weer Gerrit Jan, alweer een
katholiek meisje. Dit zal ook wel weer op een fiasco uitlopen". Ik dacht
nl. dat Ria een afgeleide was van Maria, hetgeen een indicatie was voor het
katholieke geloof.
Maar m'n hart maakte een sprongetje toen
ze vertelde dat ze niet kerks was.
Ik was opnieuw stapelverliefd. Zou zij het dan worden?
Een nieuw afspraakje voor het volgende
weekend werd gemaakt, maar dat duurde me eigenlijk te lang.
Daarom bracht ik haar de maandag erna een grote doos aardbeien, hetgeen bij
haar en haar moeder in zeer goeie aarde viel.
Toen maakten we een tussendoorafspraakje voor haar enige doordeweekse vrije
avond, de woensdagavond.
De rest van de avonden was ze verhinderd
omdat ze op de AKI een cursus vrij tekenen en schilderen volgde.
Vanaf toen zagen elkaar zodra daar maar even gelegenheid voor was.
Gerrit Jan Assink had vaste verkering!
Deze foto werd gemaakt toen we elkaar twee
weken kenden.
Lotsverbondenheid
Ria werd geboren op 22 maart 1945.
Het bijzondere van deze datum is dat
even voor haar geboorte Amerikaanse bommen ons huis hadden vernield.
Later vertelde Ria's moeder ons het
volgende relaas.
"De barensweeën volgden elkaar al
in snel tempo op toen ik achterop vader's fiets (met houten banden) gezeten
het ziekenhuis "Ziekenzorg" bereikte. Gelijktijdig werden
daar de slachtoffers van het bombardement aangevoerd. Het gehele
ziekenhuispersoneel werkte koortsachtig om de gewonden te verzorgen met het
gevolg dat er in deze paniek geen verloskundige hulp kon worden
gevonden.
Uiteindelijk heeft een in de haast
opgetrommelde kinderarts (op het laatste nippertje) Ria ter wereld
gebracht".
Deze dag werd in ons gezin met
gemengde gevoelens herdacht als een dag des onheils, maar ook als een
geluksdag omdat we dit bombardement niet met ons leven hadden moeten bekopen.
Maar de tijd heelt alle wonden zegt men
wel eens, en langzamerhand werd de 22e maart voor ons allen een
feestdag waarbij door mij ieder jaar toch nog wel even wordt stilgestaan bij
deze afschuwelijke gebeurtenis in de Ledeboerstraat in 1945.
Ria en ik hebben, zo u ziet, een vreemde
lotsverbondenheid door deze 22e maart 1945.
Onze relatie werd een serieuze zaak, we hadden een heerlijke verkeringstijd,
en in 1967 zijn we getrouwd.
En......, in september 2007 vierden we
samen met onze kinderen en kleinkinderen ons 40 jarige huwelijksfeest.
De laatste jaren van Lien en Willem.
Mijn ouders woonden de laatste jaren van hun leven in appartement in de C.F.
Klaarstraat in Enschede.
Hier begon mijn vader op 74 jarige
leeftijd te dementeren.
Dit was een hele moeilijke tijd voor mijn moeder. Ze klaagde geregeld dat ze
het bijna niet meer aankon.
Wij vonden het erg naar voor haar, en achteraf gezien beseften we toen niet
hoeveel impact dit heeft gehad op haar gezondheid. Immers, als wij op
zondagochtend een kopje koffie kwamen drinken deed vader toch vrij normaal?
Mijn vader, Gerrit Willem Assink overleed op 5 juli 1982 op 77 jarige
leeftijd.
Moeder leed de laatste jaren van haar
leven aan hartklachten en was hierdoor erg vermoeid.
Carolina Hendrika Assink-Evers overleed op 28 oktober 1987 op 81 jarige
leeftijd.
Ik werd een weeskind...
Einde van het eerste deel.
TERUG
NAAR DE INTRODUCTIEPAGINA
|